Bestuursrecht overig
AVG verzoek. Eiser is overleden in de aanvraagfase. Na herstelverzuimbrief voor verklaring van erfrecht…
Rechtbank Midden-Nederland, 1 mei 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:2144 · Rechtbank Midden-Nederland · 1 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-2144
Zaakgegevens
Op 1 mei 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 1 mei 2025
- Datum publicatie
- 2 mei 2025
- Zaaknummer
- UTR 24_5287
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:2144
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
AVG verzoek. Eiser is overleden in de aanvraagfase. Na herstelverzuimbrief voor verklaring van erfrecht blijft onduidelijk wie de mogelijke rechtsopvolgers van eiser zijn. Het beroep is daarom niet ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5287
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2025 in de zaak tussen
de erven van [overledene] , uit [plaats] , eiser
en
de minister van Financiën
(gemachtigde: mr. A. van der Linde en mr. M. Baarslag).
Procesverloop
1. Op 28 augustus 2023 heeft de toenmalige gemachtigde van [overledene] (van Hertoghs Advocaten) namens hem een inzageverzoek gedaan op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Op [overlijdensdatum] 2023 is [overledene] overleden.
De minister heeft het verzoek bij besluit van 23 oktober 2023 afgewezen omdat de AVG niet van toepassing is op overleden personen en het inzagerecht niet voor overgang vatbaar is.
Namens ‘de erven van [overledene] ’ is door Hertoghs advocaten bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Daarbij zijn naam en adresgegevens van deze erven niet bekend gemaakt. Met het bestreden besluit van 12 december 2023 heeft de minister het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Hertoghs advocaten heeft namens ‘de erven van [overledene] ’ beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij zijn naam en adresgegevens van deze erven niet bekend gemaakt.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Op 24 januari 2025 heeft Hertoghs advocaten aan de rechtbank laten weten dat zij de erven van [overledene] niet langer bijstaan als gemachtigde.
Op 14 april 2025 hebben [erven 1] en [erven 2] zich gemeld als (beneficiair aanvaard) erfgenamen van [overledene] en hebben zij verzocht om uitstel van de zitting.
Op 16 april 2025 heeft de rechtbank bij [erven 1] een verklaring van erfrecht opgevraagd.
Op 24 april 2025 heeft de rechtbank het verzoek om uitstel van de zitting afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de minister. De erven van [overledene] zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voordat de rechtbank het beroep kan beoordelen, moet worden vastgesteld wie als rechtsopvolger(s) van wijlen [overledene] bevoegd kunnen zijn om beroep in te stellen tegen het door de minister genomen bestreden besluit. Om deze reden heeft de rechtbank met de brieven van 16 april 2025 en 24 april 2025 de nabestaanden verzocht om een verklaring van erfrecht.
3. Tot op heden hebben de nabestaanden niet de gevraagde verklaring van erfrecht bij de rechtbank ingediend. Ook zijn de gestelde erfgenamen [erven 1] en [erven 2] zonder bericht van verhindering niet op de zitting verschenen. Daardoor kan niet worden vastgesteld wie de erfgenamen zijn van de overledene en dus ook niet of diegene(n) bevoegd is/zijn om het beroep in te dienen. Het is de rechtbank niet gebleken dat het niet (tijdig) toezenden van de verklaring van erfrecht de nabestaanden niet valt toe te rekenen. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2025.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.