Bestuursrecht overig
PKV, afwijzing verzoek. Er zijn door verzoeker geen proceskosten gemaakt die volgens het Besluit proceskosten…
Rechtbank Midden-Nederland, 7 november 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6682 · Rechtbank Midden-Nederland · 7 november 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2025-6682
Zaakgegevens
Op 7 november 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 7 november 2025
- Datum publicatie
- 16 december 2025
- Zaaknummer
- SBR 24/4920
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6682
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
PKV, afwijzing verzoek. Er zijn door verzoeker geen proceskosten gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan verzoeker betalen, dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar moeten wenden.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4920
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente], verweerder
(gemachtigde: mr. K.L. Vos).
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Deze zaak gaat over de beschikking van de heffingsambtenaar waarin de WOZ-waarde van de woningen [adres 1] en [adres 2] in [plaats] voor belastingjaar 2024 zijn vastgesteld op respectievelijk € 749.000,- en € 418.000,- op waardepeildatum 1 januari 2023. Tegen deze beschikking heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Met de uitspraak op bezwaar van 10 juni 2024 is het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingediend.
3. Met zijn brief van 1 augustus 2025 heeft de heffingsambtenaar aangegeven dat de objectafbakening onjuist is. Op basis van het eigendom, het gebruik en het inmeten van de bouwtekeningen uit het bouwdossier zijn de gebruiksoppervlakten van beide woningen opnieuw vastgesteld. Daaruit volgt een WOZ-waarde van € 591.000,- voor [adres 1] in [plaats] en € 576.000,- voor [adres 2] in [plaats] .
4. Op 6 augustus 2025 heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Omdat verzoeker hierbij het formulier proceskosten heeft ingevuld (waarin alle opties met “nee” zijn beantwoord), heeft de rechtbank de intrekking opgevat als een intrekking met een verzoek om proceskostenvergoeding. In zijn aanvullende bericht van 15 augustus 2025 heeft verzoeker aangegeven het griffierecht terug te willen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Er zijn door verzoeker geen proceskosten gemaakt die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed kunnen worden. De heffingsambtenaar moet wel het griffierecht aan verzoeker betalen, dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot de heffingsambtenaar moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.