Bestuursrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland · Eerste aanleg - enkelvoudig · Bestuursrecht overig

Rechtbank Midden-Nederland, 29 mei 2026

Zaakgegevens

Op 29 mei 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
29 mei 2026
Datum publicatie
29 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/6867
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:2959
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

BNT.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/6867


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.J. de Kaste),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Baarn

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoekster heeft ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor een urgentieverklaring.

2. Het college heeft alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.

3. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft hierop niet gereageerd.

4. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling, omdat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

6. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.

7. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. De rechtbank overweegt dat het college op 21 oktober 2025 een ingebrekestelling van verzoekster heeft ontvangen. Op 29 november 2025 heeft verzoekster beroep ingesteld, omdat het college volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor een urgentieverklaring.

8. Het college heeft op 15 januari 2026 alsnog een besluit genomen op de aanvraag van verzoekster. Omdat het college pas op 15 januari 2026 een besluit heeft genomen op de aanvraag van 30 juni 2025, heeft het college de beslistermijn overschreden.

9. Het college heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster om proceskostenvergoeding. Hieruit leidt de rechtbank af dat het college geen bezwaar heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.

10. De rechtbank veroordeelt het college in de door verzoekster gemaakte proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 467,-.

11. Verder is het college verplicht om het door verzoekster betaalde griffierecht van

€ 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten van verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.