Bestuursrecht overig
Verzoeker krijgt zijn identiteitsbewijs niet mee van het college omdat hij de leges daarvoor niet heeft…
Rechtbank Midden-Nederland, 12 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3421 · Rechtbank Midden-Nederland · 12 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-3421
Zaakgegevens
Op 12 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 12 juni 2026
- Datum publicatie
- 17 juni 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/2669
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3421
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoeker krijgt zijn identiteitsbewijs niet mee van het college omdat hij de leges daarvoor niet heeft betaald. Daartegen heeft verzoeker geen bezwaar ingediend dus het verzoek is niet connex aan een besluit of bezwaar- of beroepsprocedure. De voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2669
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder
(gemachtigde: M. Houtzager).
Waar gaat deze zaak over?
Verzoeker heeft op 20 maart 2026 een aanvraag gedaan voor een reisdocument. Op 2 april 2026 heeft verzoeker zich gemeld bij de afdeling burgerzaken van de gemeente Hilversum. Zijn identiteitsbewijs is niet aan hem meegegeven omdat hij de leges niet heeft betaald.
Verzoeker heeft hierover op 8 april 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Vrijstelling griffierecht
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot vrijstelling van de betaling van het griffierecht toe. Uit het dossier blijkt dat verzoeker geen uitkering heeft en dat hij geen vaste woon- of verblijfsadres heeft. Daarmee is voldoende aannemelijk dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling.
Het verzoek is niet-ontvankelijk
2. Omdat de voorzieningenrechter kennelijk niet-ontvankelijk is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen inzake een bestreden besluit indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Gelet op bovengenoemd artikel moet er sprake zijn van een besluit en een bezwaar of een beroep tegen (het niet tijdig beslissen op) een besluit, voordat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudelijk kan worden behandeld. Dit is het zogenaamde connexiteitsvereiste.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend bij het college tegen de weigering om zijn identiteitsbewijs te verstrekken. Evenmin is gebleken dat het verzoek ziet op een beroep inzake het niet tijdig nemen van een besluit. Dit betekent dat het verzoek niet connex is aan een besluit en/of een bezwaar- of beroepsprocedure zodat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Het verzoek zal daarom niet inhoudelijk worden behandeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: