Bestuursrecht overig
Buiten zitting. Pkv toegewezen.
Rechtbank Midden-Nederland, 16 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3533 · Rechtbank Midden-Nederland · 16 januari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-3533
Zaakgegevens
Op 16 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 16 januari 2026
- Datum publicatie
- 19 juni 2026
- Zaaknummer
- UTR 25/1325
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3533
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Buiten zitting. Pkv toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1325
uitspraak van de rechtbank van 16 januari 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest)
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verzoekster heeft op 24 januari 2023 bezwaar aangetekend tegen de het besluit van verweerder van 20 december 2022. Op 31 januari 2025 was nog geen beslissing op bezwaar genomen en heeft verzoekster verweerder in gebreke gesteld. Verzoekster heeft op
17 februari 2025 een beroep niet tijdig beslissen ingediend. Verweerder heeft op
24 maart 2025 alsnog een beslissing op het bezwaar van verzoekster genomen. In de brief van 25 maart 2025 heeft verweerder de rechtbank in overweging gegeven om het beroep gegrond te verklaren en hem te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Verzoekster legt zich hierbij neer en heeft het beroep ingetrokken met het verzoek om verweerder te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Verweerder heeft hier niet binnen de gegeven termijn op gereageerd.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. De rechtbank overweegt dat uit zowel de brief van 24 maart 2025 als de brief van 9 september 2025 volgt dat verweerder zich niet verzet tegen een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
5. Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Dit volgt direct uit de wet en vergt dus geen uitspraak van de rechtbank (artikel 8:41, zevende lid, van de Awb). In dit geval gaat het om een bedrag van € 53,-.
Beslissing
De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoekster;
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.