Bestuursrecht overig
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster met haar…
Rechtbank Midden-Nederland, 22 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4281 · Rechtbank Midden-Nederland · 22 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-4281
Zaakgegevens
Op 22 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 22 juni 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/2619
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4281
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster met haar verzoek niet kan bereiken wat zij vraagt.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2619
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, het college
(gemachtigde: mr. N. Huizenaar).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college van 22 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het college heeft met het besluit van 7 augustus 2025 een verzoek om handhaving van [A] afgewezen. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 januari 2026 heeft het college verzoekster niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
-
Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Niet alleen is voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (de formele connexiteit), wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken moet ook betrekking hebben op de inhoud van dat bestreden besluit (de materiële connexiteit).
-
Op 1 juli 2025 heeft [A] verzocht om handhavend optreden op de [adres] in [plaats] . Het verzoek ziet op het bestemmingsplan, opslag met agrarische waarden en de pergola. Bij besluit van 7 augustus 2025 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen, omdat de geconstateerde overtredingen binnen twee weken nadat een voornemen tot handhaving was verstuurd naar de eigenaar en beheerder van het perceel aan de [adres] , zijn beëindigd.
-
Verzoekster heeft hiertegen bewaar gemaakt. Bij besluit van 22 januari 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbende is. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een handhavingsbesluit over een perceel in [plaats] , terwijl zij zelf in [plaats] woonachtig is.
-
Verzoekster voert aan dat het spoedeisend belang is gelegen in het feit dat sprake is van een acute en levensgevaarlijke situatie op het perceel [adres] . Met het verzoek om voorlopige voorziening kan echter slechts worden bereikt dat het college haar bezwaar alsnog inhoudelijk moet beoordelen en niet dat het college tot handhaving over moet gaan. Dit zou nog anders kunnen zijn als evident was dat verzoekster ten onrechte niet als belanghebbende is aangemerkt door het college, maar daar is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van omdat het verzoek om handhaving ziet op een adres in [plaats] en verzoekster in [plaats] woont. Verzoekster kan met deze voorlopige voorziening dus niet bereiken wat zij vraagt.
Conclusie en gevolgen
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: