Bestuursrecht overig
Verzet ongegrond; geen igs;
Rechtbank Midden-Nederland, 25 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4306 · Rechtbank Midden-Nederland · 25 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-4306
Zaakgegevens
Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 25 juni 2026
- Datum publicatie
- 15 juli 2026
- Zaaknummer
- UTR 24/7317-V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4306
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet ongegrond; geen igs;
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7317-V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 op het verzet van
[opposant] , te [plaats] , opposant,
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend op 10 september 2024 omdat verweerder niet op tijd beslist op zijn bezwaar gericht tegen het dwangsombesluit.
In de uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 december 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het instellen van een beroep niet-tijdig beslissen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist was.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist, omdat hij van mening is dat hij het bezwaarschift op 3 april 2024 per mail (tijdig) heeft ingediend. Daarnaast is opposant het niet eens met het splitsen van de door hem ingediende beroepszaken in twee afzonderlijke zaken. Opposant heeft verder niet aangevoerd waarom hij geen ingebrekestelling heeft ingediend.
4. De rechtbank stelt vast dat opposant verweerder niet in gebreke heeft gesteld. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
5. De rechtbank heeft terecht besloten om de uitspraak van 23 december 2025 op grond van artikel 8:54 van de Awb zonder een zitting te doen, omdat er geen twijfel over de uitkomst van de zaak was. De rechtbank ziet in wat opposant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is. De uitspraak van 23 december 2025 blijft in stand.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.