Bestuursrecht overig

Geen griffierecht; verzet gegrond;

Rechtbank Midden-Nederland, 15 mei 2026

Zaakgegevens

Op 15 mei 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
15 mei 2026
Datum publicatie
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/1524
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4309
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geen griffierecht; verzet gegrond;

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/1524-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2026 op het verzet van

[opposante] , te [plaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. H. Willering),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van 14 februari 2025.

In de uitspraak van 18 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Opposante heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 18 juni 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposante het griffierecht niet heeft betaald. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 18 juni 2025 niet juist was.

3. Volgens de gemachtigde van opposante is de uitspraak van de rechtbank van

18 juni 2025 niet juist. De gemachtigde van opposante heeft aangegeven dat hij zich op

26 februari 2025 via Zivver heeft gesteld als gemachtigde en daarbij heeft verzocht om alle correspondentie voortaan aan hem te richten. Desondanks is de brief van 28 maart 2025 niet aan de gemachtigde verzonden, maar rechtstreeks aan opposante. Volgens de gemachtigde is dit onjuist. Ook geeft de gemachtigde aan dat hij beschikt over een rekening-courant, zodat het griffierecht zonder problemen daarvan had kunnen worden afgeschreven.

4. De rechtbank is het eens met gemachtigde van opposante. Nu deze zich op 26 februari 2025 heeft gesteld en beschikt over een rekening-courant, had de nota van 27 februari 2025 aan de gemachtigde van opposante moeten worden toegezonden en had het griffierecht van de rekening-courant kunnen worden afgeschreven.

5. Dit betekent dat opposante gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 18 juni 2025 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van die uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposante krijgt over de verdere behandeling nog bericht.

6. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposante. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.