Bestuursrecht overig

Verzet gegrond; WOZ; standaardbeslistermijn; artikel 7:10 Awb;

Rechtbank Midden-Nederland, 4 juni 2026

Zaakgegevens

Op 4 juni 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
4 juni 2026
Datum publicatie
15 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/2885-V
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:4312
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzet gegrond; WOZ; standaardbeslistermijn; artikel 7:10 Awb;

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2885-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2026 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant,

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

In de uitspraak van 24 oktober 2025 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.

Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 24 oktober 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant verweerder te vroeg in gebreke heeft gesteld. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2025 niet juist was.

3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 24 oktober 2025 niet juist omdat

de beslistermijn afliep op vrijdag 28 februari 2025, terwijl in de uitspraak is aangenomen dat dat op maandag 3 maart 2025 was.

4. De rechtbank volgt opposant hierin. Uit de Gemeentewet volgt dat in beginsel wordt afgeweken van de standaardbeslistermijn van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht. De standaardbeslistermijn van artikel 7:10 Awb is echter wel van toepassing indien het bezwaarschrift is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar.

Daarvan is in dit geval sprake, nu opposant het bezwaarschrift heeft ingediend op

30 december 2024. Het bezwaarschrift is derhalve ingediend in de laatste zes weken van het kalanderjaar, zodat moet worden uitgegaan van de reguliere beslistermijn uit de Awb. Dit betekent dat de heffingsambtenaar binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, op het bezwaar diende te beslissen. Die termijn eindigde op 28 februari 2025. De ingebrekestelling van 3 maart 2025 was dus niet te vroeg ingediend.

5. Dit betekent dat opposant gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van

24 oktober 2025 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van die uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht.

6. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposant. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid
te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.