Bestuursrecht overig

Beroep tegen niet tijdig beslissen (BNT). Wet open overheid (Woo). De minister heeft niet op tijd beslist op…

Rechtbank Midden-Nederland, 30 juli 2026

Zaakgegevens

Op 30 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
30 juli 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/2624
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5355
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen niet tijdig beslissen (BNT). Wet open overheid (Woo). De minister heeft niet op tijd beslist op het Woo-verzoek van eiser. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister dit alsnog moet doen. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2624


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen


RTL Nieuws, uit Hilversum, eiser

(gemachtigde: R. Mooijekind),

en

Ministerie van Defensie, Directie communicatie, de minister

(gemachtigde: K. Komurcu).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek in het kader van de Wet open overheid (Woo-verzoek) van 19 november 2025.

2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.

4. Eiser heeft het Woo-verzoek ingediend op 19 november 2025. De minister moet hierop binnen vier weken beslissen. De minister had op 23 december 2025 moeten beslissen. De minister heeft deze beslistermijn met twee weken verdaagd en had dus uiterlijk tot 6 januari 2026 om een beslissing te nemen op het Woo-verzoek. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft de minister op
19 januari 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.

Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?

5. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.

6. Voor zover de minister in het verweerschrift stelt dat niet op het Woo-verzoek kan worden beslist, omdat het verzoek zeer ruim en onvoldoende precies is geformuleerd, overweegt de rechtbank dat de minister kan beslissen het verzoek af te wijzen of niet in behandeling te nemen. Dat het Woo-verzoek volgens de minister te ruim is geformuleerd, is geen reden om niet op het verzoek te beslissen.

Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?

7. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen en aan de minister de onder overweging 6 van deze uitspraak genoemde dwangsom wordt opgelegd.

9. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

  • draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;

  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 397,- aan eiser moet vergoeden;

  • veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. Dit staat in artikel 4.4, eerste lid, van de Wet open overheid (Woo) De minister kan dit doen op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de Woo.