Bestuursrecht overig

Voorlopige voorziening bezwaar urgentieverlening. Een urgentie als voorziening is geen voorlopige maatregel…

Rechtbank Midden-Nederland, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/5888
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5412
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening bezwaar urgentieverlening. Een urgentie als voorziening is geen voorlopige maatregel. De rechter zal alleen tot een toewijzing komen als zeker is dat de urgentie in bezwaar verleend moet worden. Daarvan is hier geen sprake.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/5888


uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juli 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , verblijvend in [verblijfplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B. Al Yassiri),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist

(gemachtigde: mr. M.K. Stoelinga).

Inleiding

  1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 27 mei 2026 waarin de aanvraag van verzoekster om een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning is afgewezen. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.

  2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. In zo’n geval doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Artikel 8:81 van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. Verzoekster heeft aangevoerd dat zij en haar twee minderjarige kinderen in een onhoudbare situatie verkeren. Zij zijn in augustus 2025 voor het werk van verzoekster geëmigreerd naar de Verenigde Arabische Emiraten. Vanwege de verslechterde situatie in die regio en de toenemende onzekerheid over de inkomsten van verzoekster, zijn zij teruggekeerd naar Nederland. Zij verblijven nu bij de ouders van verzoekster in een woning in [verblijfplaats] . Daar wonen ook een meerderjarige broer en twee meerderjarige zussen van verzoekster, waardoor sprake is van een ernstig gebrek aan leefruimte. De situatie is volgens verzoekster onhoudbaar en schadelijk voor de ontwikkeling van haar kinderen.

3. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op het bezwaar). Verzoekster wil met haar verzoek bereiken dat zij tijdens de bezwaarprocedure wordt behandeld alsof zij al in het bezit is van een urgentieverklaring. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit feitelijk geen tussenmaatregel is. Verzoekster zou met de (voorlopige) urgentieverklaring namelijk een huurovereenkomst kunnen sluiten en in een sociale huurwoning kunnen gaan wonen. Als het bezwaar dan toch ongegrond verklaard zou worden, is die woonsituatie mogelijk feitelijk onomkeerbaar. Andere woningzoekenden worden daardoor dan benadeeld.

4. De voorzieningenrechter zal daarom in een zaak als deze alleen een voorlopige voorziening treffen als nagenoeg zonder twijfel kan worden gezegd dat het college urgentie moet verlenen aan verzoekster. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoekster heeft aangevoerd niet maakt dat op dit moment aan deze hoge maatstaf is voldaan.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.