Bestuursrecht overig

Mondelinge usp. Beroep n-o want geen griffierecht betaald.

Rechtbank Midden-Nederland, 10 maart 2026

Zaakgegevens

Op 10 maart 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
10 maart 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/1373
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5413
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Mondelinge usp. Beroep n-o want geen griffierecht betaald.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/1373


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 maart 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

de Burgemeester van de gemeente Oudewater

(gemachtigde: mr. M.B. Bindels).

Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [derde belanghebbende 1] en [derde belanghebbende 2] uit Oudewater (derde-partij).

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de
gedragsaanwijzing die de burgemeester aan verzoeker in het besluit van 5 januari 2026 heeft opgelegd in verband met aanhoudende woonoverlast. Verzoeker is het hier niet mee eens.

1.1.

Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De behandeling van het verzoek was gepland op de zitting van 10 maart 2026 om 09:00 uur in de rechtbank in Utrecht. De gemachtigde van de burgemeester en [A] , werkzaam bij de gemeente Oudewater, als ook [derde belanghebbende 2] waren aanwezig. Verzoeker is niet verschenen.

1.4.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die om een voorlopige voorziening verzoekt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het griffierecht € 200,-.

3. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het beroep niet inhoudelijk mag behandelen.

4. Verzoeker moest voorafgaand aan de zitting het griffiegeld voldoen. Het griffierecht kon overgemaakt worden maar kon ook worden voldaan aan de informatiebalie van de rechtbank.

5. Aan verzoeker is per aangetekende post een griffierechtnota toegestuurd. Deze nota heeft hij, zo blijkt uit informatie van PostNL, op 20 februari 2026 ontvangen. Verzoeker heeft het griffierecht echter niet betaald.

6. Hij is ook niet op de zitting verschenen. De griffier heeft telefonisch navraag gedaan waarom verzoeker er niet was. Verzoeker heeft meegedeeld dat hij niet op de hoogte was van de zitting en dat hij ook niet in de gelegenheid was om alsnog naar de rechtbank toe te komen.

7. Uit de gedingstukken blijkt dat verzoeker op 3 maart 2026 per aangetekende post is uitgenodigd voor de zitting. Op diezelfde dag is de uitnodiging voor de zekerheid ook aan verzoeker gemaild. Uit informatie van PostNL blijkt verder dat de aangetekende brief op 6 maart 2026 bij verzoeker in de brievenbus is bezorgd. Verzoeker is dus op de juiste wijze uitgenodigd voor de zitting. Hij had het griffierecht dus ook nog – voorafgaan aan de zitting – aan de informatiebalie kunnen voldoen.

8. Omdat verzoeker het griffierecht niet heeft betaald is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026 door mr. M. Eversteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.E.C. Bakker, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.