Bestuursrecht overig

Verzoek om voorlopige voorziening. Gericht op drie brieven. Ten aanzien van één brief is reeds uitspraak…

Rechtbank Midden-Nederland, 18 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 25/5848
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:5748
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening. Gericht op drie brieven. Ten aanzien van één brief is reeds uitspraak gedaan op het beroep, dus het verzoek wordt afgewezen. Voor de overige brieven is niet gebleken van een connex bezwaar- of beroepschrift. Het verzoek is in zoverre niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/5848


uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2026 in de zaak tussen


[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),

en

Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, verweerder.

Inleiding

Verweerder heeft met de brief van 2 juli 2025 aan verzoeker kenbaar gemaakt dat verweerder diens e-mailberichten niet meer in behandeling neemt. Met de e-mail van

12 september 2025 heeft verweerder de toenmalige gemachtigde van verzoeker hiervan op de hoogte gebracht. Met de brief van 26 september 2025 heeft verweerder aan verzoeker kenbaar gemaakt dat verweerder van plan was om berichten afkomstig van de

e-mailadressen van verzoeker te blokkeren.

Verzoeker heeft rechtstreeks beroep ingesteld tegen de brief van 2 juli 2025. Daarnaast heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij heeft hij onder andere verzocht de brieven van 2 juli 2025 en 26 september 2025 en de e-mail van 12 september 2025 te vernietigen.

De rechtbank heeft op 2 maart 2026 uitspraak gedaan op het beroep tegen de brief van

2 juli 2025.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Omdat het verzoek deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.

2. Met de brief van 2 juli 2025 en de e-mail van 12 september 2025 heeft verweerder kenbaar gemaakt dat hij de e-mails van verzoeker niet meer leest en ook niet meer als aanvraag, verzoek, klacht of bezwaar in behandeling neemt. Met de brief van

26 september 2025 heeft verweerder verzoeker op de hoogte gebracht van het plan om berichten afkomstig van e-mailadressen van verzoeker te blokkeren.

3. Met de uitspraak van 2 maart 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep tegen de brief van 2 juli 2025. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, voor zover dit betrekking heeft op de brief van 2 juli 2025.

4. Aangaande de e-mail van 12 september 2025 en de brief van 26 september 2025 is de voorzieningenrechter niet gebleken van een connex bezwaar- of beroepschrift. Het aanhangig zijn van een bezwaar- of beroepschrift is op grond van artikel 8:81 van de Awb vereist voor het treffen van een voorlopige voorziening. Nu de connexiteit ontbreekt, is het verzoek in zoverre niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af voor zover gericht op de brief van 2 juli 2025;

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk, voor zover gericht op de e-mail van

12 september 2025 en de brief van 26 september 2025.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:RBMNE:2026:601.