Bestuursrecht overig

Verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. Verzoekster heeft geen gronden vermeld en heeft het…

Rechtbank Midden-Nederland, 27 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 27 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
27 augustus 2026
Datum publicatie
31 augustus 2026
Zaaknummer
UTR 26/6944
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6073
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. Verzoekster heeft geen gronden vermeld en heeft het spoedeisend belang niet onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6944


uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, het college.

Inleiding

Verzoekster heeft op 25 maart 2026 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet.

Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juni 2026 afgewezen.

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

3. Verzoekster heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 5 augustus 2026 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Verzoekster heeft niet binnen de termijn gereageerd op deze brief en heeft geen reden gegeven voor het verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.

4. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

5. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat vooralsnog niet is gebleken dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. De griffier heeft verzoekster met de brief 5 augustus 2026, in de gelegenheid gesteld om haar gestelde spoedeisend belang te onderbouwen, maar verzoekster heeft niet op deze brief gereageerd. De conclusie is daarom dat er op dit moment geen spoedeisend belang is.

6. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.