Bestuursrecht overig
Beroep tegen afwijzing gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Het college mocht zich baseren op het…
Rechtbank Midden-Nederland, 28 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6688 · Rechtbank Midden-Nederland · 28 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-6688
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Datum publicatie
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- 25/3994
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6688
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Beroep tegen afwijzing gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Het college mocht zich baseren op het advies van [onderneming]. De weigering om een gehandicaptenparkeerkaart te verlenen is niet onevenredig. Wel sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3994
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: S. Jansen I. ten Caat),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: mr. W. van Beveren).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Deze aanvraag is door het college afgewezen. Eiseres is het hier niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde gehandicaptenparkeerkaart terecht heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 26 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft op 5 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier, met een gratis parkeervergunning voor een vast kenteken, en een gehandicaptenparkeerplaats. Hierbij heeft eiseres verklaard dat zij gebruik maakt van twee elleboogkrukken, een scootmobiel en dat zij een beperkte mobiliteit heeft. Het college heeft vervolgens op 16 december 2024 medisch advies gevraagd aan een extern bureau, namelijk [onderneming] . Op 30 januari 2025 is eiseres onderzocht door een arts van [onderneming] . Het college heeft de aanvraag, onder verwijzing naar het medisch advies, afgewezen, omdat eiseres niet steeds de hulp van deur tot deur nodig heeft van de bestuurder van het voertuig. In de beslissing op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing gebleven.
Het medisch advies van de keuringsarts
4. Uit het medisch advies van [onderneming] blijkt dat eiseres niet in staat is om zonder hulpmiddelen minimaal 100 meter te lopen. Bij eiseres zijn namelijk afwijkingen in de belastbaarheid van haar beide heupen en rug waargenomen. Hierdoor is eiseres beperkt bij matig tot zwaar lichamelijk belastende handelingen en houdingen van het bewegingsapparaat, wat leidt tot een onevenredige toename van klachten waarvan eiseres lang moet recupereren. De ernst en frequentie van de klachten, met name in de maanden voorafgaand aan het onderzoek, zijn volgens de arts niet zodanig dat zij van deur tot deur begeleiding nodig heeft. De arts concludeert daarom dat eiseres afgezet kan worden op de plaats van bestemming en vervolgens 10-15 minuten zittend kan wachten op de bestuurder als deze de auto parkeert.
5. Bij dit advies van [onderneming] is een brief, van 5 maart 2024, van de orthopedisch chirurg van eiseres betrokken. Uit deze brief volgt dat eiseres kampt met aandoeningen in haar heup en bekken. Ook heeft eiseres last van onrustige spasmes, waarvoor geen verklaring kan worden gevonden vanuit de heup. Eiseres slikt pijnstilling voor haar klachten en bij het medisch advies is ook kennisgenomen van haar medicatielijst.
Standpunt eiseres
6. Eiseres voert aan dat het advies van [onderneming] tegenstrijdig is met een medisch stuk dat afkomstig is van haar revalidatiearts. De revalidatiearts adviseert namelijk wel een gehandicaptenparkeerkaart voor de bijrijder en een gehandicaptenparkeerplaats voor de woning. Dit stuk van 4 februari 2025 is niet meer betrokken bij het advies van [onderneming] . Verder licht eiseres toe dat het gesprek met de arts van [onderneming] niet netjes is verlopen, omdat de arts al de insteek had dat eiseres toch geen gehandicaptenparkeerkaart zou krijgen. Volgens eiseres geeft dit blijk van een oneerlijke behandeling, wat geleid zou kunnen hebben tot een oneerlijke beoordeling. De nadelige gevolgen van het bestreden besluit staan bovendien niet in verhouding tot de met de regeling beoogde doelen.
7. Tijdens de zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat het voor haar niet mogelijk is om alleen, zowel zittend als staand, te wachten, wat maakt dat zij continue begeleiding nodig heeft. Eiseres is onlangs gevallen terwijl zij gebruik maakte van haar krukken, vanwege haar spasme, en maakt nu gebruik van een rollator. Het gebruik van de rollator is volgens haar niet optimaal. Verder maken haar slechthorendheid en autisme dat zij door de vele prikkels in paniek raakt op het moment dat ze alleen wordt achtergelaten.
Oordeel van de rechtbank
8. Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling) volgt dat passagiers van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij – met de gebruikelijke loophulpmiddelen – in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan honderd meter aan een stuk te voet te overbruggen en die voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk zijn van de hulp van de bestuurder, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking kunnen komen.
9. Tussen partijen is in geschil of het rapport van [onderneming] op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en de vraag of eiseres voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk is van de hulp van de bestuurder.
Het advies van [onderneming]
10. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat het advies van [onderneming] zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk en concludent is.
11. De rechtbank is van oordeel dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen omdat de arts een eigen medisch onderzoek heeft ingesteld en medische informatie van de orthopedisch chirurg heeft betrokken bij het advies. Dit volgt uit het verslag daarover in het advies onder het kopje ‘onderzoeksactiviteiten’. De klacht van eiseres over hoe zij het onderzoek heeft ervaren en de conclusies die zij daaraan verbindt, geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het advies niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het college mag ervan uitgaan dat een deskundige zijn of haar werk niet vooringenomen verricht. Eiseres heeft haar klachten en de daarop gebaseerde conclusies niet aan de orde gesteld middels het correctierecht, waarvan zij wel gebruik heeft gemaakt, of tijdens de bezwaarprocedure. Zij heeft ook geen klacht ingediend bij [onderneming] . Dat betekent dat de arts van [onderneming] niet heeft kunnen reageren op de klacht van eiseres. De rechtbank kan daarover dan ook geen inhoudelijk oordeel geven.
12. Het advies is volgens de rechtbank ook inhoudelijk inzichtelijk en concludent. De conclusies van de arts zijn navolgbaar en voldoende inzichtelijk toegelicht. Eiseres wijst erop dat de conclusie van de arts van [onderneming] anders is dan die van de revalidatiearts. Deze heeft geschreven: ”Dit houdt in dat cliënt zeer beperkt is in haar actieradius in haar dagelijks leven en daarbij altijd afhankelijk is van een hulpmiddel of ondersteuning van partner om naar de auto te bewegen.” Het college stelt zich op de zitting op het standpunt dat het medische stuk van de revalidatiearts niet tegenstrijdig is met het advies van [onderneming] . De rechtbank is het daar mee eens. De visie van de revalidatiearts dat eiseres altijd afhankelijk is van een hulpmiddel of ondersteuning van een partner om naar de auto te bewegen, is niet tegenstrijdig met de conclusie in het advies dat eiseres niet permanent rolstoelgebonden of van deur tot deur afhankelijk is van begeleiding. De brief van de revalidatiearts doet dan ook geen afbreuk aan de inzichtelijkheid en concludentie van het advies van [onderneming] .
13. Omdat de brief van de revalidatiearts geen informatie bevat die tegenstrijdig is met de informatie op het rapport van [onderneming] , heeft het college in die brief ook geen aanleiding hoeven zien om [onderneming] nader onderzoek te laten doen.
Weigering van de gehandicaptenparkeerkaart
14. De rechtbank overweegt verder dat het college beoordelingsruimte heeft ten aanzien van de wijze waarop het in artikel 1, eerste lid, aanhef onder b, van de Regeling genoemde criterium wordt ingevuld en daarbij gebonden is aan het doel en de strekking van de Regeling. Het doel en de strekking van de Regeling worden niet overschreden door de voorwaarde - dat de aanvrager voor het vervoer van deur tot deur continu afhankelijk moet zijn van de hulp van de bestuurder - zo uit te leggen dat eiseres door haar aandoening of gebrek niet in staat moet worden geacht om op de plaats van bestemming, al dan niet zittend, onbegeleid te wachten totdat de bestuurder de auto heeft weggebracht.
15. Omdat het college zich mag baseren op het advies van [onderneming] , en daarin is vastgesteld dat eiseres zelfstandig in staat is om 10-15 minuten zittend te wachten op de bestuurder als deze de auto parkeert, voldoet eiseres niet aan de voorwaarden die gesteld worden voor het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart voor een passagier.
Motiveringsgebrek
16. Op de zitting heeft eiseres aangevoerd dat het college in de beslissing op bezwaar ten onrechte niet is ingegaan op de brief van de revalidatiearts. De rechtbank is het daar mee eens. De beslissing op bezwaar vermeldt de brief wel, maar het college heeft die brief niet kenbaar bij de heroverweging van de weigering van de gehandicaptenparkeerkaart betrokken. Dit betekent dat het besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren op grond van artikel 6:22 van de Awb omdat het college, zoals uit punt 12 blijkt, op de zitting toereikend heeft toegelicht waarom de brief van de revalidatiearts niet tot een ander besluit leidt.
Weigering gehandicaptenparkeerkaart niet onevenredig
17. De rechtbank overweegt verder dat het college in de beslissing op bezwaar terecht heeft geconcludeerd dat de weigering voor eiseres geen onevenredige gevolgen heeft.
18. Het gaat in deze zaak om een gebonden besluit dat berust op een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, namelijk de Regeling. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de belangenafweging al bij het opstellen van de regelgeving is verricht. Daarom is de evenredigheid in beginsel gegeven. Niettemin kunnen er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in dit geval voor eiseres zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarbij gaat niet om de geschiktheid en noodzakelijkheid van de toepassing van de Regeling maar alleen om de evenwichtigheid. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd waarom de weigering voor haar onredelijk bezwarend is en waarom de door het college genoemde alternatieven, zoals vervoer met de RegioTaxi of Valys, niet passend zijn.
Conclusie
19. Het beroep is ongegrond. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de rechtbank bepalen dat het college het griffierecht aan eiseres moet vergoeden. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding omdat niet is gebleken dat er sprake is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.L.H. Thomas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.