Bestuursrecht overig

Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk omdat verzoekster geen griffierecht heeft betaald.

Rechtbank Midden-Nederland, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 26/6457
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:6762
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk omdat verzoekster geen griffierecht heeft betaald.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/6457


uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 augustus 2026 in de zaak tussen


[verzoekster] B.V., uit [plaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, het college.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de buiten behandelingstelling van haar verzoeken om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Het college heeft 13 verzoeken van verzoekster op grond van de Woo bij besluit van 9 juli 2026 buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader

1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 397,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

Heeft verzoekster het griffierecht tijdig betaald?

1.1.

De griffier heeft verzoekster bij aangetekend verzonden brief van 11 juli 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Deze aangetekend verzonden brief is op 4 augustus 2026 door de rechtbank onbezorgd retour ontvangen. Bij brief van 5 augustus is de brief van 11 juli 2026 nogmaals per gewone post aan verzoekster gezonden. Daarin is zij in de gelegenheid gesteld om het griffierecht alsnog binnen één week te voldoen. Verzoekster heeft het griffierecht niet op tijd betaald.

Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?

1.2.

Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen


Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.