Bestuursrecht overig
huurtoeslag - medebewonerschap - verweerder mocht afgaan op BRP gegevens - tegenbewijs onvoldoende - beroep…
Rechtbank Midden-Nederland, 28 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7082 · Rechtbank Midden-Nederland · 28 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7082
Zaakgegevens
Op 28 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 28 september 2026
- Datum publicatie
- 15 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/169
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7082
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
huurtoeslag - medebewonerschap - verweerder mocht afgaan op BRP gegevens - tegenbewijs onvoldoende - beroep ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/169
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Skála),
en
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de huurtoeslag van eiseres over 2023. De dienst heeft de huurtoeslag van eiseres over 2023 bij besluit van 7 mei 2025 definitief vastgesteld op € 0,-, omdat de eigenaar van de huurwoning volgens de dienst ook haar medebewoner was van 1 mei 2023 tot en met 27 juli 2024.
Met het bestreden besluit van 28 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de dienst bij het besluit definitieve vaststelling huurtoeslag 2023 gebleven.
Eiseres is het niet eens met de beslissing op bezwaar en heeft beroep ingesteld. Zij voert in beroep aan dat de eigenaar van de huurwoning geen medebewoner was. De eigenaar van de huurwoning heeft haar adres alleen gebruikt als postadres en verbleef feitelijk ergens anders. Daarnaast voert eiseres aan dat de beslissing op bezwaar op verschillende punten onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De dienst heeft een verweerschrift ingediend. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank het geschil.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de dienst.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst terecht de definitieve huurtoeslag van eiseres over 2023 heeft vastgesteld op € 0,-. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
2. Eiseres heeft huurtoeslag aangevraagd met ingang van 1 mei 2023. In de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 juli 2024 stond de heer [naam] , eigenaar van de huurwoning van eiseres, in de Basisregistratie Personen (BRP) als medebewoner geregistreerd op het adres van eiseres, zijnde de [adres] te [plaats 2] . Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bestaat geen recht op huurtoeslag als een medebewoner de eigenaar is van de huurwoning.
Heeft de dienst terecht geoordeeld dat eiseres de eigenaar van haar huurwoning als medebewoner had?
3. Eiseres voert aan dat de heer [naam] niet daadwerkelijk als medebewoner op haar adres woonde in de periode van 1 mei tot en met 31 december 2023. De heer [naam] was bezig met het bewoonbaar maken van een woning in Duitsland en had in die periode een postadres nodig in Nederland. Hij heeft zich om die reden ingeschreven op het woonadres van eiseres, maar heeft daar niet feitelijk gewoond. Eiseres heeft drie stukken overgelegd ter onderbouwing hiervan, namelijk een schriftelijke verklaring van de heer [naam] , een uittreksel van de BRP met de uitschrijving van de heer [naam] uit de gemeente [gemeente] per 15 oktober 2024, en de aangifte van de verhuizing van de heer [naam] naar [gemeente] per 30 juli 2024.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank overweegt allereerst dat het in deze procedure gaat om de definitieve berekening van de huurtoeslag van eiseres over 2023. Dat betekent dat de rechtbank in deze uitspraak niet inhoudelijk in gaat op de woonsituatie van eiseres en de heer [naam] van 1 januari 2024 tot en met 27 juli 2024.
Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat de inschrijving in de BRP als uitgangspunt geldt bij de beoordeling of iemand als medebewoner moet worden aangemerkt. Er kan alleen worden afgeweken van de BRP-inschrijving als blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving. Het is aan eiseres om controleerbare bewijsstukken uit objectieve bron te overleggen wanneer de juistheid van de gegevens in de BRP wordt betwist. De rechtbank stelt vast dat twee van de drie door eiseres overgelegde documenten geen betrekking hebben op de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 december 2023 waar het in het bestreden besluit om draait. Het derde overgelegde document is de verklaring van de heer [naam] . Alleen die verklaring is onvoldoende om de juistheid van de gegevens in het BRP te betwisten, alleen al omdat de verklaring van de heer [naam] (gedeeltelijk) in strijd is met de andere door eiseres overgelegde stukken. De heer [naam] verklaart namelijk vanaf 6 mei 2024 ingeschreven te zijn in [gemeente] , terwijl in de aangifte van de verhuizing naar [gemeente] de datum van 30 juli 2024 staat. De dienst heeft dus terecht de BRP-gegevens aangehouden en mocht op basis daarvan concluderen dat de heer [naam] van 1 mei tot en met 31 december 2023 de medebewoner was van eiseres.
Heeft de dienst bij de totstandkoming van het bestreden besluit in strijd gehandeld met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel?
5. Eiseres voert aan dat de dienst het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en draagt daartoe de volgende punten aan.
Allereerst voert eiseres aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan het primaire besluit haar zienswijze te geven. De dienst heeft namelijk een onjuist postadres gehanteerd waardoor eiseres geen brieven met het verzoek om een zienswijze heeft ontvangen waardoor haar een gelegenheid tot inspraak is ontnomen. Daardoor werd zij gedwongen om bezwaar en uiteindelijk beroep in te stellen.
Verder voert eiseres aan dat de dienst ten onrechte heeft gesteld dat het bestreden besluit door het online beschikbaar zijn van de toeslagberekeningen voldoende is gemotiveerd. De dienst heeft in de door eiseres ontvangen stukken geen verwijzing opgenomen naar online berekeningen. Daarnaast is niet iedere burger voldoende digitaal vaardig om de berekeningen online terug te vinden.
Eiseres voert daarnaast aan dat de dienst ten onrechte heeft nagelaten om een telefoongesprek van de gemachtigde van eiseres met een medewerker van de dienst over het houden van een hoorzitting mee te nemen in het bestreden besluit.
Tot slot voert eiseres aan dat de dienst in bezwaar een aanzienlijk kleinere hoeveelheid op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd dan in beroep. De gemachtigde van eiseres heeft daardoor extra werkzaamheden moeten verrichten en een aanvullend beroepschrift moeten opstellen.
6. Deze beroepsgronden slagen niet.
De rechtbank overweegt dat de dienst op grond van artikel 26b, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) eiseres in de gelegenheid moest stellen om haar zienswijze te geven op de voorgenomen definitieve vaststelling van de huurtoeslag. De rechtbank laat in het midden of het aannemelijk is dat eiseres de uitnodigingen om een zienswijze te geven niet heeft ontvangen. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS kan het verzuim om een belanghebbende niet vooraf te horen in bezwaar worden hersteld. Dat is in dit geval ook gebeurd, aangezien eiseres in de bezwaarfase de gelegenheid heeft gehad om haar bezwaren tegen de definitieve vaststelling huurtoeslag 2023 kenbaar te maken aan de dienst. Van deze mogelijkheid heeft zij gebruik gemaakt, en daarop is door de dienst in het bestreden besluit gereageerd. Als het al zo zou zijn dat eiseres de uitnodiging voor het geven van een zienswijze niet heeft ontvangen, is dat dus geen reden om het bestreden besluit te vernietigen.
De rechtbank overweegt verder dat in de beschikkingen van de dienst een verwijzing is opgenomen naar de internetomgeving ‘Mijn Toeslagen’. Daarbij is vermeld dat in ‘Mijn Toeslagen’ op toeslagen.nl de voor de berekening gebruikte gegevens terug te vinden zijn. De rechtbank is van oordeel dat die toelichting eiseres voldoende informatie biedt om de toeslagberekeningen online terug te vinden.
De rechtbank overweegt verder dat in het beroepschrift van eiseres een weergave is opgenomen van het telefoongesprek tussen de medewerker van de dienst en de gemachtigde van eiseres. Daaruit blijkt kortgezegd dat de medewerker van de dienst een samenvatting gaf van het standpunt van eiseres over de zaak. Daarop reageerde de gemachtigde van eiseres dat dit een correcte weergave van het standpunt van eiseres was en er dus geen behoefte bestond aan een hoorzitting. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiseres in het bestreden besluit voldoende is toegelicht en weerlegd. Het is voor de motivering van het bestreden besluit niet vereist dat dit specifieke telefoongesprek wordt genoemd, of dat nader wordt toegelicht waarom door eiseres is afgezien van een hoorzitting. De rechtbank is dus van oordeel dat er op dit punt geen sprake is van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek.
Tot slot overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 7:4, tweede en vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een recht bestaat op inzage (tweede lid) en verkrijging (vierde lid) van de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit recht alleen bestaat in samenhang met de hoorzitting. Wanneer er geen hoorzitting heeft plaatsgevonden en het bestuursorgaan daar ook niet toe verplicht was, bestaat er dus geen recht op verkrijging van de op de zaak betrekking hebbende stukken in de bezwaarfase. Eiseres heeft afgezien van een hoorzitting. De rechtbank is dus van oordeel dat de dienst niet verplicht was om de door de gemachtigde van eiseres opgevraagde stukken te verstrekken. Eiseres kan zich dus niet beroepen op een zorgvuldigheidsgebrek nu haar gemachtigde mogelijk niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen in de bezwaarfase.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de definitieve berekening van de huurtoeslag van eiseres over 2023 blijft staan op € 0,-. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.