Bestuursrecht overig
Deze uitspraak gaat over de afwijzing door de Dienst Toeslagen om eiser aan te merken als ex-toeslagpartner…
Rechtbank Midden-Nederland, 9 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:7140 · Rechtbank Midden-Nederland · 9 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbmne-2026-7140
Zaakgegevens
Op 9 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Almere
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Datum publicatie
- 16 oktober 2026
- Zaaknummer
- UTR 26/2255
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7140
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing door de Dienst Toeslagen om eiser aan te merken als ex-toeslagpartner waardoor eiser niet onder de ex-toeslagpartnerregeling valt. Dit betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een financiële compensatie voor materiële en immateriële schade die eiser heeft geleden. Dienst Toeslagen heeft terecht besloten eiser niet aan te merken als ex-toeslagpartner. Van een onjuiste inschrijving in de BRP is geen sprake.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2255
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Gümüs),
en
de Dienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door de Dienst Toeslagen om eiser aan te merken als ex-toeslagpartner waardoor eiser niet onder de ex-toeslagpartnerregeling valt. Dit betekent dat eiser niet in aanmerking komt voor een financiële compensatie voor materiële en immateriële schade die eiser heeft geleden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geoordeeld dat eiser niet onder de ex-toeslagpartnerregeling valt. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft met zijn ex-partner vier kinderen. De ex-partner van eiser is bij besluit van 30 mei 2023 als gedupeerde van de toeslagenaffaire aangemerkt ten aanzien van de toeslagjaren 2010 en 2011.
3. Eiser heeft zich op 17 december 2024 bij de Dienst Toeslagen aangemeld voor de ex-toeslagpartnerregeling. Bij besluit van 24 september 2025 heeft Dienst Toeslagen aan eiser medegedeeld dat hij geen recht heeft op de ex-toeslagpartnerregeling. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend omdat hij vanaf 2010 samenwoonde met zijn ex-partner en een gezamenlijke huishouding voerde.
4. Met de beslissing op bezwaar van 11 maart 2026 is de Dienst Toeslagen bij het eerdere oordeel gebleven. De Dienst Toeslagen geeft aan dat uit de gegevens niet blijkt dat eiser toeslagpartner was van een gedupeerde aanvrager in een toeslagjaar waarover de aanvrager recht heeft op een herstelmaatregel. Ook was eiser volgens de Dienst Toeslagen geen toeslagpartner op het moment dat de Dienst Toeslagen de beschikking stuurden waarmee hij de aanvrager dupeerden. De Dienst Toeslagen verwijst hierbij naar de artikelen 2.14g en 2.14h van de Wet hersteloperatie Toeslagenaffaire (Wht) en de daarin gestelde voorwaarden waaraan iemand moet voldoen om in aanmerking te komen voor de ex-toeslagpartnerregeling.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiser in beroep?
7. Eiser vindt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft bepaald dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van de ex-toeslagpartnerregeling zoals bepaald in artikel 2.14g, eerste lid, onderdeel a van de Wht. Eiser stelt dat hij en zijn ex-partner in de periode 2009 tot en met 2017 een duurzame gezamenlijke huishouding voerden. Zij leefden feitelijk samen, verzorgden gezamenlijk hun kinderen en vormden één gezin. Het ontbreken van een inschrijving in het BRP weerspiegeld de feitelijke situatie niet. Eiser kon zich niet inschrijven op het adres van zijn ex-partner omdat dan de bijstandsuitkering van zijn ex-partner in gevaar zou komen. Eiser wijst op een aantal bewijsstukken die zouden moeten aantonen dat hij feitelijk samenwoonde met zijn ex-partner:
-
een verklaring van de school waaruit blijkt dat eiser betrokken was bij de opvoeding;
-
verklaringen van buurtbewoners die bevestigen dat eiser op het adres van zijn ex-partner woonde;
-
bankafschriften waaruit blijkt dat eiser huurbetalingen heeft gedaan;
-
verklaringen en stukken van de gemeente;
-
een door de gemeente uitgevoerd onderzoek in 2012 waaruit bleek dat eiser samenwoonde met zijn ex-partner, waarvoor de gemeente uiteindelijk een bestuurlijke boete heeft opgelegd.
Volgens eiser geven deze stukken in onderlinge samenhang objectieve en concrete aanwijzingen dat sprake was van een duurzame gezamenlijke huishouding.
Van bijzonder belang is daarbij dat een andere overheidsinstantie na onderzoek heeft vastgesteld dat eiser en ex-partner feitelijk samenwoonden. Hoewel de Dienst Toeslagen aan deze vaststelling niet zonder meer is gebonden, kan de Dienst Toeslagen deze volgens eiser niet ongemotiveerd passeren. In de beslissing op bezwaar wordt niet aangegeven waarom aan deze gemeentelijke vaststelling geen betekenis wordt toegekend. Dat klemt te meer omdat de gemeente haar oordeel heeft gebaseerd op onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie, terwijl de Dienst Toeslagen uitsluitend verwijst naar de administratieve registratie.
Eiser vindt dat in de beslissing op bezwaar voornamelijk is verwezen naar administratieve gegevens en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de feitelijke situatie en de door hem geleverde bewijsmaterialen. Eiser stelt zich op het standpunt dat de beslissing op bezwaar daardoor onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is. De beslissing op bezwaar berust op een onjuiste toepassing van artikel 2.14g van de Wht. In de beslissing op bezwaar worden de door eiser overgelegde bewijsstukken niet kenbaar benoemd en wordt niet gemotiveerd waarom daaraan geen bewijswaarde wordt toegekend. Eiser kan daardoor niet controleren waarom het bewijs wordt verworpen en de rechtbank kan daardoor niet toetsen of de Dienst Toeslagen deugdelijk heeft beslist.
Eiser voert verder aan dat de hersteloperatie kinderopvangtoeslag juist in het leven is geroepen om recht te doen aan de feitelijke gevolgen van het handelen van de overheid. Een uitsluitend formele beoordeling aan de hand van administratieve registraties strookt volgens eiser niet met dit uitgangspunt. De feitelijke omstandigheden zijn volgens eiser juist uitvoering onderbouwd. Indien een belanghebbende met objectieve stukken aannemelijk maakt dat de werkelijke situatie afwijkt van de registratie, kan de Dienst Toeslagen volgens eiser niet volstaan met een verwijzing naar die registratie zonder nader onderzoek. Volgens eiser dient de Dienst Toeslagen zelfstandig onderzoek te verrichten naar de gestelde omstandigheden. Door dit na te laten heeft de Dienst Toeslagen gehandeld in strijd met de op hem rustende onderzoeksplicht.
Wat vindt Dienst Toeslagen in beroep?
8. De Dienst Toeslagen geeft aan dat om in aanmerking te komen voor de forfaitaire compensatie voor ex-toeslagpartners er moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden op grond van artikel 2.14g Wht. Artikel 2.14g, zesde lid van de Wht bepaalt dat bij de beoordeling of er op de peildatum sprake is van partnerschap het begrip “partner” wordt beoordeeld op basis van artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Artikel 3 van de Awir schrijft voor wie wordt aangemerkt als toeslagpartner.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat terecht is overwogen dat eiser niet onder de ex-toeslagpartnerregeling valt. Niet in geschil is dat er geen sprake is van een huwelijk waardoor eiser als ex-toeslagpartner kan worden aangemerkt. Op grond van het op peildatum luidende artikel 3, tweede lid, onderdeel a van de Awir wordt onder “partner” mede verstaan degene die op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP). Uit kamerstukken blijkt dat de wetgever met het oog op de uitvoerbaarheid van de regeling bewust heeft willen aansluiten bij het in de Awir neergelegde partnerbegrip. Er is derhalve uitdrukkelijk gekozen om de beoordeling te baseren op gegevens uit de BRP. Deze gegevens worden geacht de feitelijke woon- en leefsituatie weer te geven en vormen daarom het uitgangspunt voor de toepassing van de regeling. Uit de BRP blijkt dat eiser van 22 februari 2016 tot en met 29 november 2016 stond ingeschreven op hetzelfde adres als de ex-partner. Dit is een periode van ongeveer negen maanden. Gelet hierop voldoet eiser volgens de Dienst Toeslagen niet aan de voorwaarde dat hij gedurende tenminste één jaar toeslagpartner is geweest van de gedupeerde ex-partner. Ook voldoet eiser niet aan de voorwaarde dat hij in een toeslagjaar waarvoor zijn ex-partner recht heeft op een herstelmaatregel, te weten 2010 en 2011, ook haar toeslagpartner was. Eiser is in 2016 wel toeslagpartner geweest, echter niet in de juiste periode en korter dan de minimaal gestelde één jaar om als ex-toeslagpartner te worden aangemerkt conform de ex-toeslagpartnerregeling. Volgens de Dienst Toeslagen gaat de stelling van eiser dat hij feitelijk samenwoonde op de peildatum en daarom wel zou moeten vallen onder de ex-toeslagpartnerregeling gelet op bovenstaande niet op. Door de wetgever is bewust gekozen om uit te gaan van de gegevens in de BRP. Dit betreft een essentiële voorwaarde waarvan niet kan worden afgeweken.
De Dienst Toeslagen wijst erop dat de kinderopvangtoeslag over 2010 en 2011 uitsluitend door de ex-partner van eiser is aangevraagd. Gedurende de gehele relevante periode, ook na het onderzoek door de gemeente, heeft eiser zich niet op hetzelfde woonadres ingeschreven. Eiser is volgens de Dienst Toeslagen dan ook nooit als toeslagpartner betrokken geweest bij de toekenning van kinderopvangtoeslag over 2010 en 2011. De uitgekeerde kinderopvangtoeslag is uitsluitend gebaseerd geweest op het inkomen van de ex-partner van eiser en is dus vastgesteld zonder het inkomen en andere omstandigheden van eiser.
Volgens de Dienst Toeslagen blijkt uit de parlementaire geschiedenis ook duidelijk dat de ex-toeslagpartnerregeling in het leven is geroepen om voormalige partners van een aanvrager die in een bepaalde periode als toeslagpartner waren aangemerkt te compenseren (als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). De regeling is derhalve uitsluitend bedoeld voor personen die gedurende een bepaalde periode daadwerkelijk als toeslagpartner zijn aangemerkt. In dit geval is daarvan geen sprake geweest.
Daarnaast volgt uit de systematiek van de Wht, zoals ook is bevestigd in vaste rechtspraak, dat deze niet is bedoeld om definitieve kinderopvangtoeslagbeschikkingen te herzien of de inhoudelijke juistheid van het oorspronkelijke recht op toeslag opnieuw te beoordelen. De ex-toeslagpartnerregeling biedt geen grondslag om achteraf alsnog vast te stellen dat iemand toeslagpartner was, indien die persoon destijds niet als zodanig in de toeslagtoekenning is betrokken. Het toetsingskader beperkt zich tot de vraag of eiser in de relevante periode als toeslagpartner was aangemerkt en of aan de overige voorwaarden van de regeling is voldaan.
De Dienst Toeslagen concludeert dat de beslissing op bezwaar zorgvuldig tot stand is gekomen nu alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen in het besluit. Eiser voldoet niet aan de vereisten om als ex-toeslagpartner conform de ex-toeslagpartnerregeling in aanmerking te komen en heeft derhalve geen recht op compensatie. De Dienst Toeslagen is dan ook van mening dat het beroep ongegrond is.
Wat is het toetsingskader?
9. Op 15 juli 2023 is de Wet aanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen in werking getreden. In deze wet is de ex-toeslagpartnerregeling ondergebracht in afdeling 2.3, bestaande uit de artikelen 2.14g tot en met 2.14i Wht. De wetgever heeft met de ex-toeslagpartnerregeling willen erkennen dat toeslagpartner van de aanvragers van kinderopvangtoeslag in bepaalde omstandigheden ook getroffen zijn en buiten hun schuld zijn benadeeld. Het doel van de ex-toeslagpartnerregeling is om zoveel mogelijk voormalig partners waarvan het aannemelijk is dat zij merkbare gevolgen hebben ondervonden van de problemen rondom de kinderopvangtoeslag te compenseren.
Om in aanmerking te komen te komen voor de forfaitaire compensatie voor ex-toeslagpartners moet – voor zover van toepassing - worden voldaan aan een aantal voorwaarden op grond van artikel 2.14g van de Wht, waarbij in artikel 2.14g, eerste lid is aangegeven op welke periode het ex-partnerschap moet zien.
In artikel 2.14g, zesde lid van de Wht staat dat het begrip partner wordt beoordeeld op basis van artikel 3 van de Awir. Uit artikel 3, tweede lid volgt dat onder partner mede wordt verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen met een aantal aanvullende voorwaarden.
Artikel 6 van de Awir geeft een opsomming van situaties die zien op de gelijkstelling met de basisregistratie personen, waarbij in artikel 6, derde lid van de Awir staat: “Bij regeling van Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld op basis waarvan iemand in de basisregistratie personen niet op zijn woonadres is ingeschreven, geacht wordt daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven.”
In artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Ur Awir) staat een opsomming van situaties waarin een gelijkstelling met de basisregistratie personen mogelijk is. In artikel 3, tweede lid, onder c van de Ur Awir staat: “Iemand die in de basisregistratie personen niet op zijn woonadres is ingeschreven, wordt geacht daarin wel op dat adres te zijn ingeschreven, indien: blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de basisregistratie personen voor de periode tot aan de datum van adreswijziging, als bedoeld in artikel 2.20, derde lid, van de Wet basisregistratie personen.”
Wat is het oordeel van de rechtbank?
10. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij – uit een oogpunt van een eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen – op grond van objectiveerbare gegevens door de Dienst Toeslagen kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. Bij de verwerking van aanvragen betrekt de Dienst Toeslagen automatisch de beschikbare informatie uit de BRP. Dit betekent dat de inschrijving in de BRP voor de Dienst Toeslagen leidend is.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 3, tweede lid van de Awir omdat hij in de periodes die van belang zijn niet stond ingeschreven in de BRP op het woonadres van zijn ex-partner.
Samengevat lijkt eiser te zeggen dat de inschrijving in de BRP onjuist is en dat dit hem niet toe te rekenen is. Doordat de inschrijving in de BRP niet met terugwerkende kracht gewijzigd kan worden, is hij benadeeld en dat ligt buiten zijn macht. Daarbij verwijst eiser naar een arrest van de Afdeling van 1 juni 2016.
Het door eiser aangehaalde arrest van de Afdeling ziet op een procedure die ging over de Wet op de Huurtoeslag. In artikel 9, tweede lid van de Wet op de Huurtoeslag is een extra uitzondering voorwaarde voor het afwijken van de gegevens in de BRP, namelijk wanneer het gaat om een onjuiste inschrijving én wanneer de onjuiste inschrijving niet toerekenbaar is. Dit is echter een specifieke voorwaarde in de Wet op de Huurtoeslag die dus niet ziet op de Wet hersteloperatie toeslagenaffaire. In de Wet hersteloperatie toeslagenaffaire is een dergelijk artikel niet opgenomen.
In de Wet hersteloperatie toeslagenaffaire wordt voor het partnerbegrip aangesloten bij artikel 3 van de Awir. De enige mogelijkheid om af te wijken van de registratie in de BRP is wanneer de inschrijving in de BRP onjuist is. De bewijslast daarvoor ligt bij eiser.
Om aan te tonen dat de inschrijving in de BRP onjuist is wijst eiser met name op de brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] (het college) van 8 oktober 2015, gestuurd aan (de bewindvoerder van) zijn ex-partner. Deze brief is een voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van artikel 18a van de Participatiewet (Pw). Deze brief is aan de ex-partner van eiser gestuurd omdat zij in de periode van 1 april 2012 tot en met 31 mei 2014 niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht uit artikel 17 van de Pw. “Naar aanleiding van onderzoek is gebleken […] Tevens heeft u geen melding gedaan aan Sociaal Domein, dat betrokkene [eiser] sinds 1 april 2012 zijn hoofdverblijf bij u had.”
Naar oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond niet slagen. De brief van het college is niet meer dan een voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan de ex-partner van eiser. Of er uiteindelijk daadwerkelijk een bestuurlijke boete is opgelegd en wat daar dan aan ten grondslag heeft gelegen is niet bekend. Daarnaast heeft eiser twee documenten overgelegd die zien op twee onderzoeken door de gemeente naar het adres van eiser. Het eerste onderzoek (gestart op 9 oktober 2013 en gesloten op 28 januari 2014) waarbij eiser ingeschreven stond op het adres [adres 1] in [plaats] , is gesloten omdat eiser een adreswijziging heeft doorgegeven naar het adres [adres 2] . Het tweede onderzoek (gestart op 25 augustus 2014 en gesloten op 20 februari 2024) heeft ertoe geleid tot een Besluit VOW (vertrokken onbekend waarheen). Dit terwijl er tijdens het eerste adresonderzoek een vermoeden bestond dat eiser woonde op het adres van zijn ex-partner ( [adres 3] ). Gelet op de adresonderzoeken door de gemeente en de resultaten, wordt niet voldaan aan de voorwaarde van artikel 3, tweede lid, onder c, van de Ur Awir. De Dienst Toeslagen is dan ook terecht uitgegaan van de inschrijving in de BRP.
Voor zover eiser zich bedoelt te beroepen op het evenredigheidsbeginsel kan deze grond niet slagen. Artikel 3 van de Awir is een bepaling van dwingende aard neergelegd in een wet in formele zin. Daarom kan deze niet aan artikel 3:4, tweede lid van de Awb en het evenredigheidsbeginsel worden getoetst. De wet biedt dan ook geen ruimte aan de Dienst Toeslagen om eiser als toeslagpartner van zijn ex-partner aan te merken op basis van de omstandigheden die eiser aanvoert.
Zoals de Afdeling heeft overwogen kan er wel aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe strikte toepassing van de wet leidt als er sprake is van bijzondere omstandigheden die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene beginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
Daarvan is hier geen sprake. De door eiser aangevoerde omstandigheden maken de toepassing van de genoemde bepalingen met betrekking tot het partnerbegrip niet zozeer in strijd met het evenredigheidsbeginsel dat de toepassing daarvan achterwege moet blijven. Eiser heeft zich, om welke reden dan ook, pas op 22 februari 2016 ingeschreven op het adres van zijn ex-partner. Dit betekent dat eiser alleen in deze periode zou kunnen worden aangemerkt als partner in de zin van de Wht. Voorgaand betekend dat het beroep ongegrond is.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiser niet aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor de ex-toeslagpartnerregeling. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.