Bestuursrecht overig

Urgentieverklaring. Huisvestingsverordening Almere 2024. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de…

Rechtbank Midden-Nederland, 28 september 2026

Zaakgegevens

Op 28 september 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Almere
Datum uitspraak
28 september 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
UTR 25/7454
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:7705
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Urgentieverklaring. Huisvestingsverordening Almere 2024. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de urgentieaanvraag in stand kan blijven. Eiseres valt niet onder de wettelijke urgentiecategorie voor slachtoffers van huiselijk geweld. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Almere

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/7454


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Aarsman),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats 1]

(gemachtigde: mr. J.H.S. Beirvliet en K.K. Bahora).

Samenvatting

  1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een urgentieverklaring voor het verkrijgen van een woning. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daarover een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de urgentieaanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus geen gelijk. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 4 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 november 2024 afgewezen (het primaire besluit). Met het besluit van 4 december 2025 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

7. Op 4 oktober 2024 heeft eiseres een verzoek ingediend om met urgentie in aanmerking te komen voor een woning in de gemeente [plaats 1] , op grond van echtscheiding/relatieverbreking. In haar aanvraag om een urgentieverklaring heeft zij vermeld dat zij begin 2022 samen met haar driejarige zoon noodgedwongen de gezinswoning in [plaats 1] heeft verlaten vanwege huiselijk geweld door haar ex-partner, de vader van haar zoon. Volgens eiseres is de huidige inwoning bij haar ouders niet langer houdbaar, omdat de thuissituatie voor haar en haar zoontje als druk en chaotisch wordt ervaren. Daarnaast bestaat er veel onenigheid over alledaagse zaken. Eiseres vreest dat haar ouders haar en haar zoon bij een volgende escalatie op straat zullen zetten. Verder staat eiseres onder behandeling bij [zorginstelling] voor functionele neurologische stoornissen.

8. Naar aanleiding van de urgentieaanvraag van eiseres heeft het college [naam] verzocht om advies uit te brengen over het urgentieverzoek. [naam] heeft op 9 mei 2025 advies uitgebracht en op 20 oktober 2025 een aanvullend advies. Uit deze adviezen volgt dat sprake is van een langdurige medische situatie zonder direct verband met de woning zelf, naast sociale problematiek en een complexe gezinssituatie. Deze klachten belemmeren het gebruik van de huidige woning niet en volgens de adviezen van [naam] is geen sprake van een ontwrichtende situatie die maakt dat binnen drie of vier maanden een zelfstandige woning noodzakelijk is. Ook is geen sprake van medisch onvermogen of een contra-indicatie voor kamerbewoning of woningdeling.

9. Het college heeft de urgentieaanvraag getoetst aan de algemene voorwaarden van de Huisvestingsverordening [plaats 1] 2024 (Huisvestingsverordening). In het bestreden besluit heeft het college de aanvraag afgewezen, omdat eiseres volgens het college niet voldoet aan de algemene voorwaarde dat zij er alles aan heeft gedaan om het probleem op te lossen en dat andere oplossingen niet mogelijk zijn of zijn uitgeput. Ook voldoet zij volgens het college niet aan de voorwaarde dat zij de situatie niet zelf heeft veroorzaakt of had kunnen voorkomen. Daarnaast ziet het college in haar situatie onvoldoende bijzondere omstandigheden om de hardheidsclausule toe te passen. Ten aanzien van de adviezen van [naam] stelt het college zich op het standpunt dat deze op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen.

Het standpunt van eiseres

10. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert in de eerste plaats, kort samengevat, aan dat het college de algemene voorwaarden ten onrechte aan haar heeft tegengeworpen. In de tweede plaats stelt zij dat zij in aanmerking komt voor een urgentieverklaring vanwege het verlaten van de woonruimte in verband met problemen van relationele aard of geweld, dan wel op grond van medische en/of sociale redenen. Eiseres stelt dat zij op grond van de wettelijke urgentiecategorie voor slachtoffers van huiselijk geweld in aanmerking komt voor een urgentieverklaring, omdat zij binnen de strekking valt van artikel 12, derde lid, van de Huisvestingswet. Hoewel zij op dit moment tijdelijk bij haar ouders verblijft, meent zij dat dit moet worden gelijkgesteld aan een opvang zoals een Blijf-van-mijn-lijfhuis. Daarbij beroept eiseres zich op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 september 2022. Daarnaast stelt eiseres dat zij in aanmerking komt voor een urgentieverklaring omdat zij door het huiselijk geweld kampt met psychische klachten, onverwerkte trauma’s en functionele neurologische stoornissen. Volgens eiseres belemmert haar huidige woonsituatie haar herstel en is sprake van een levensontwrichtende situatie.

11. Tot slot voert eiseres aan dat op grond van de hardheidsclausule urgentie moet worden verleend vanwege haar schrijnende situatie. Volgens eiseres heeft het college bovendien onvoldoende rekening gehouden met de belangen van haar minderjarige zoon, terwijl het welzijn en de ontwikkelingsmogelijkheden van het kind centraal moeten staan. Daarbij beroept zij zich op het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2019. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat het rapport van [naam] niet zorgvuldig tot stand is gekomen en innerlijk tegenstrijdig is, omdat de huisartsbrief van 29 april 2025 volgens haar niet is meegenomen en het aanvullende advies enerzijds erkent dat de thuissituatie spanning veroorzaakt en het herstel belemmert, maar anderzijds de conclusies tot afwijzing handhaaft zonder te motiveren waarom dit verband tussen de medische klachten en de thuissituatie niet tot een andere weging leidt.

Het oordeel van de rechtbank

12. De rechtbank stelt voorop dat de gemeente veel beleidsvrijheid heeft bij het verdelen van schaarse sociale huurwoningen. De bestuursrechter toetst de afwijzing van een urgentieverklaring daarom terughoudend.

12. Het college beoordeelt op grond van de Huisvestingsverordening eerst of de aanvrager voldoet aan de algemene voorwaarden voor urgentie. Alleen als de aanvrager daaraan voldoet, toetst het college de aanvraag aan de specifieke criteria van de diverse urgentiecategorieën. Als de aanvrager aan één van de algemene voorwaarden niet voldoet, wijst het college de urgentieaanvraag af. Dit betekent dat eiseres aan alle algemene voorwaarden genoemd in de Huisvestingsverordening moet voldoen.

12. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de Huisvestingsverordening. Dit is mogelijk in uitzonderlijke gevallen, waarin de toepassing van een regel uit de Huisvestingsverordening tot een bijzondere hardheid leidt.

Algemene voorwaarden voor urgentieverklaring

15. In artikel 11, vijfde lid en onder f, van de Huisvestingsverordening wordt de voorwaarde gesteld dat de woningzoekende er alles aan moet hebben gedaan om het probleem op te lossen en dat andere oplossingen niet mogelijk zijn of zijn uitgeput. Dit geldt niet voor – onder meer – woningzoekenden die slachtoffer zijn van huiselijk geweld en die uitstromen uit een instelling voor slachtoffers van huiselijk geweld. Eiseres stelt dat zij op één lijn kan worden geplaatst met deze categorie omdat zij ook na huiselijk geweld de woning heeft verlaten.

15. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij valt onder de wettelijke urgentiecategorie voor slachtoffers van huiselijk geweld. Weliswaar is niet in geschil dat eiseres slachtoffer is van huiselijk geweld, maar niet is gebleken dat zij vanuit die situatie is terechtgekomen in een voorziening die onder deze categorie valt. Het gaat daarbij om de in artikel 12, derde lid en onder d, van de Huisvestingswet bedoelde opvang voor slachtoffers van huiselijk geweld. Aan deze bepaling ligt de gedachte ten grondslag dat slachtoffers van huiselijk geweld snel uit de opvang moeten kunnen doorstromen naar zelfstandige huisvesting. De opvang zelf is namelijk bedoeld voor kortdurend verblijf. Als de slachtoffers van huiselijk geweld daar te lang zouden verblijven zou er onvoldoende ruimte zijn om andere slachtoffers op te vangen. Het college heeft op de zitting terecht gesteld dat van een dergelijke opvangsituatie als bedoeld in artikel 12 van de Huisvestingswet hier geen sprake is geweest. De [groep] heeft de situatie van eiseres tijdens de scheiding van haar ex-partner beoordeeld en opvang in een Blijf-van-mijn-lijfhuis niet als de meest passende oplossing gezien. Eiseres is toen, samen met haar zoontje, op advies van de [groep] bij haar ouders in [plaats 1] ingetrokken, waar zij ook alweer een aantal jaren verblijft. Eiseres heeft dit niet gemotiveerd betwist. Het verblijf bij haar ouders is, gelet op de omstandigheden waaronder zij haar woning heeft verlaten, dan ook niet materieel gelijk te stellen met een dergelijke voorziening en de hiervoor beschreven achtergrond van de voorwaarde. Het huis van haar ouders is namelijk geen opvanglocatie waarvoor in de wet een uitzondering is gemaakt in verband met de vereiste doorstroming.

15. De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande dat de voorwaarde dat de woningzoekende er alles aan heeft gedaan om het probleem op te lossen en dat andere oplossingen niet mogelijk zijn of zijn uitgeput, van toepassing is op de situatie van eiseres. Op de zitting heeft eiseres gesteld dat zij structureel reageert op woningen binnen de regio via WoningNet, maar dat haar positie niet gunstig is. Ook heeft zij op zitting aangevoerd dat het als alleenstaande moeder lastig is om een woning in de vrije sector te vinden en dat zij niet in aanmerking komt voor studio’s, omdat zij een kind heeft. Het college heeft daartegenover gesteld dat eiseres sinds 21 maart 2018 staat ingeschreven op WoningNet en een goede positie heeft, maar dat zij desondanks slechts twee actuele woningreacties, zes lopende reacties en achttien historische reacties heeft. Gelet op haar inschrijfdatum zijn dat volgens het college geen grote aantallen reacties.

15. De rechtbank kan het standpunt van het college volgen. Eiseres heeft tijdens de zitting nog gesteld dat niet alle historische reacties zichtbaar zijn. Dat heeft zij echter niet nader onderbouwd, zodat dat niet tot een ander oordeel leidt. Daarbij komt dat op de zitting is gebleken dat eiseres voornamelijk reageert op woningen in wijken dicht bij haar ouders, terwijl zij ook kan zoeken in andere delen van de regio, waar de druk op de woningmarkt mogelijk minder groot is dan in [plaats 1] , zoals [plaats 2] , [plaats 3] of [plaats 4] . Het college mocht daarom aan eiseres tegenwerpen dat zij er niet alles aan heeft gedaan om het probleem op te lossen. Deze tegenwerping is op zichzelf al voldoende om de urgentieaanvraag af te wijzen. Het college hoefde daarom niet meer aan de hand van de specifieke criteria van de verschillende urgentiecategorieën, zoals neergelegd in de Huisvestingsverordening, te beoordelen of eiseres voor een urgentieverklaring in aanmerking komt. Het voorgaande betekent dat eiseres niet voldoet aan de algemene voorwaarde die is opgenomen in artikel 11, eerste lid en onder f, van de Huisvestingsverordening, en ook niet aan de voorwaarde die is opgenomen in artikel 11, vijfde lid en onder g, van de Huisvestingsverordening. Bij het oordeel of het college de voorwaarde onder g aan eiseres heeft mogen tegenwerpen, vindt de rechtbank van belang dat eiseres haar urgentieverzoek op 4 oktober 2024 heeft ingediend. De urgentie waarop zij zich op dat moment beriep, zag niet op het huiselijk geweld van haar ex-partner, omdat zij toen al ruim 2,5 jaar niet meer bij hem woonde, maar op de situatie bij haar ouders. Mede gelet op haar inschrijfduur en het aantal keren dat zij op woningen heeft gereageerd, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij niet had kunnen voorkomen dat de huidige inwoning bij haar ouders, die zij en haar zoontje als druk en chaotisch ervaren, is ontstaan. De beroepsgrond slaagt ook daarom niet.

Hardheidsclausule

19. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college zich op het standpunt stellen dat er geen aanknopingspunten zijn om eiseres op grond van de hardheidsclausule alsnog urgentie te verlenen. Met een urgentverklaring krijgt iemand voorrang op andere personen, die ook hard op zoek zijn naar een woning. Een urgentverklaring is dus de uitzondering op de regel. De hardheidsclausule is daar weer een uitzondering op, omdat iemand dan urgentie krijgt terwijl hij of zij niet aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Om die reden wordt de hardheidsclausule door het college alleen toegepast in uitzonderlijke gevallen. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is bij eiseres niet gebleken. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, moeten er bovendien voldoende mogelijkheden voor eiseres zijn om een andere woning te vinden, maar lijkt zij zelf onvoldoende actief te reageren op het aanbod. De rechtbank vindt voorstelbaar dat de thuissituatie bij haar ouders stressvol is, maar dat weegt gelet op het voorgaande onvoldoende zwaar. Daarbij komt dat eiseres en haar zoon een dak boven het hoofd hebben en er op dit moment dus geen acute noodzaak bestaat. Dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen en ontwikkelingsmogelijkheden van haar driejarige zoon, volgt de rechtbank niet. In het bestreden besluit heeft het college overwogen dat veel gewicht wordt toegekend aan de belangen van kinderen bij een stabiele woonsituatie en dat uit het ouderschapsplan blijkt dat sprake is van gezamenlijk gezag en dat de ouders primair verantwoordelijk zijn voor de zorg en het welzijn van het kind. Daarbij heeft het college onder meer betrokken dat eiseres tijdens de ambtelijke hoorzitting van 26 februari 2026 heeft toegelicht dat het goed gaat met haar zoontje, wat ook blijkt uit de brief van [zorginstelling] van 26 augustus 2024. De rechtbank vindt daarbij van belang dat eiseres ook op de zitting heeft verklaard dat het goed gaat met haar zoon, ook wanneer hij bij zijn vader is. Om deze redenen hoefde het college geen uitzondering op de regels te maken.

20. De rechtbank overweegt tot slot dat het college in de medische situatie van eiseres geen aanleiding heeft hoeven zien om met toepassing van de hardheidsclausule van de Huisvestingsverordening ten gunste van haar af te wijken. Het college heeft de adviezen van [naam] uitvoerig betrokken bij de besluitvorming. Hoewel de huisartsbrief van 29 april 2025 niet is meegenomen in het eerste advies van [naam] , is deze wel meegenomen in het aanvullende advies. Van een onzorgvuldig tot stand gekomen advies is daarom geen sprake. Ook volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat het aanvullende advies innerlijk tegenstrijdig is. Op de zitting heeft eiseres erop gewezen dat onder punt 2 van het aanvullende advies is vermeld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen haar klachten en de woning zelf, terwijl onder punt 3 staat dat op middellange termijn een reëel risico bestaat op verdere ontregeling en ontwrichting van haar mentaal en lichamelijk functioneren, en dat de spanningen binnen de huidige woonsituatie deze ontwikkeling negatief kunnen beïnvloeden en kunnen bijdragen aan een verdere toename van stress en vertraging van het herstel. De rechtbank merkt op dat eiseres uitgaat van een verkeerde lezing van het advies. Onder punt 2 beoordeelt de arts of de klachten zijn ontstaan door het huis; dat is volgens de arts niet het geval. Onder punt 3 gaat het om de vraag of de huidige woonsituatie de klachten kan verergeren of het herstel kan belemmeren. Dat de woning niet de oorzaak van de klachten is, sluit niet uit dat de woonsituatie op termijn wel belastend kan zijn. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is daarom geen sprake. Ook om deze reden hoefde het college geen uitzondering op de regel te maken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring in de gemeente [plaats 1] in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding voor eventuele proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Wagenaar, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 11, vijfde lid en onder f, van de Huisvestingsverordening. Artikel 11, vijfde lid en onder g, van de Huisvestingsverordening. ECLI:NL:RBNHO:2022:12477. ECLI:NL:RBAMS:2019:2574. Artikel 30 van de Huisvestingsverordening. Artikel 30 van de Huisvestingsverordening.