Materieel strafrecht

Ontucht met kind beneden 16 jaar.

Rechtbank Midden-Nederland, 24 februari 2026

Zaakgegevens

Op 24 februari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Lelystad
Datum uitspraak
24 februari 2026
Datum publicatie
7 april 2026
Zaaknummer
16-225344-25
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1341
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontucht met kind beneden 16 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16/225344-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 2003 in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] ,

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 10 februari 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. L.H.J. Verheijden;

  • de advocaat van de verdachte: mr. N. Wijkman (hierna: de advocaat);

  • het slachtoffer: [slachtoffer] , bijgestaan door haar moeder;

  • de advocaat van het slachtoffer: mr. A.Y. Bleeker;

  • een raadsonderzoeker van de Raad voor de Kinderbescherming.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 maart 2018 tot en met 17 maart 2019 in [plaats 1] en/of [plaats 2] ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer] , die toen nog geen zestien jaar oud was.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Vrijspraak

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:

- een jeugddetentie voor de duur van 150 dagen, waarvan 149 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;

- een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie.

3.2

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het feit. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank oordeelt dat het feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.

3.3.1.

Bewijs in zedenzaken

Deze zaak betreft een zedenzaak. Dit soort zaken zijn bewijstechnisch vaak lastige zaken omdat er meestal maar twee personen aanwezig zijn geweest. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van één getuige, zoals het slachtoffer of de aangever, ook niet wanneer deze verklaring als betrouwbaar wordt aangemerkt. Voor een bewezenverklaring is altijd aanvullend steunbewijs vereist dat afkomstig is uit een andere bron. Wat als voldoende steunbewijs geldt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Als de verklaring van het slachtoffer recht tegenover de verklaring van de verdachte staat, moet dus bekeken worden of er voldoende steunbewijs is. Dat is in deze zaak aan de orde.

Volgens de Hoge Raad is voor dit bewijsminimum niet nodig dat de handelingen waarvan iemand wordt beschuldigd op alle punten bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde onderdelen wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dit neemt niet weg dat de in de beschuldiging opgenomen feitelijkheden in zekere mate moeten worden gedekt en ondersteund door ander bewijsmateriaal. Het mag bovendien niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verklaring van het slachtoffer. Het kan bijvoorbeeld bestaan uit de waarneming van een getuige van de feiten zelf. Of uit de waarneming van een getuige van de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer ten tijde van of kort na het incident. Een verklaring over een emotionele of fysieke toestand die de getuige bij het slachtoffer heeft waargenomen kan steunbewijs opleveren als deze waarneming niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaring van het slachtoffer. Verklaringen van horen zeggen gelden niet als steunbewijs, al kunnen zij wel bijdragen aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring. Het vereiste steunbewijs staat los van het oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster.

3.3.2.

Verklaring slachtoffer

Het slachtoffer heeft tijdens een studioverhoor verklaard dat zij ongeveer acht jaar oud was toen het misbruik begon en dat het iets minder dan een jaar heeft geduurd. Volgens haar is het ongeveer vijftig keer gebeurd, waarvan vijf keer in [plaats 1] en de overige keren in [plaats 2] . Het slachtoffer heeft verklaard dat de gebeurtenissen steeds op dezelfde wijze verliepen: ze moest plat op haar buik op de bank of op bed gaan liggen, waarna de verdachte bovenop haar ging liggen en heen en weer bewoog. Daarbij voelde zij dat er iets heen en weer tegen of tussen haar billen bewoog, waarschijnlijk zijn penis. Wat tegen of tussen haar billen bewoog voelde hard aan. Ook heeft ze aangegeven dat ze wel eens nat wit spul bij haar kont heeft gevoeld. Zij heeft verklaard dat zij alle keren als zeer vervelend heeft ervaren, maar dat zij zich, met uitzondering van een keer dat haar moeder de kamer binnenkwam, geen afwijkende of afzonderlijke gebeurtenis kan herinneren of benoemen.

Tijdens de behandeling van de zaak is veel aandacht besteed aan de vraag of de verklaring van het slachtoffer als betrouwbaar kan worden aangemerkt, mede gelet op de kanttekeningen die zijn geplaatst bij de totstandkoming van zowel die verklaring als de aangifte, en ook de consistentie en concreetheid van de verklaring van het slachtoffer. De rechtbank zal echter pas toekomen aan een betrouwbaarheidsoordeel nadat eerst is beoordeeld of er sprake is van voldoende steunbewijs en of dit steunbewijs van voldoende gewicht is om de verklaring van het slachtoffer te ondersteunen.

3.3.3.

Steunbewijs

Hieronder legt de rechtbank uit waarom zij vindt dat niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum. De rechtbank zal hiervoor het steunbewijs afgaan dat de officier van justitie heeft gebruikt om tot een bewezenverklaring te rekwireren.

3.3.3.1 Aangifte moeder

De moeder van het slachtoffer heeft aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij op 17 maart 2019 de slaapkamer van haar dochter is binnengelopen en toen zag dat haar zoon met een ontbloot geslachtsdeel vlak bij de vagina van haar dochter stond. De onderbroek van haar dochter zou daarbij bijna uit zijn geweest. Ze zou toen ze binnenkwam hebben gezien dat haar dochter probeerde om de verdachte van zich af te duwen. De moeder zou de verdachte daarop hebben weggejaagd, waarop de verdachte geprobeerd zou hebben om ook haar te verkrachten.

Het misbruik waarvan verdachte wordt beschuldigd bestaat kortgezegd uit het over een periode van een jaar liggen op het slachtoffer, het met zijn penis of onderlichaam aanraken van onder meer haar billen en het over haar heen klaarkomen. De moeder heeft slechts over één moment, uit eigen waarneming, verklaard. Daar komt bij dat de verklaring van de moeder over dat moment niet strookt met de verklaring van het slachtoffer. De moeder heeft gezien dat het slachtoffer de verdachte van zich afduwde toen zij binnenkwam. De moeder stelt dat verdachte zijn penis uit zijn broek had gehaald en klaar was om het slachtoffer te verkrachten. Dit past niet goed bij de verklaring van het slachtoffer dat zij (steeds als het gebeurde) op haar buik op bed lag en iets tegen zich aan voelde bewegen. Ook komt het niet overeen met dat het slachtoffer heeft verklaard dat de verdachte al zijn broek aan probeerde te doen toen moeder binnenkwam. Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaring van de moeder onvoldoende steunbewijs biedt voor de feitelijke handelingen zoals opgenomen in de beschuldiging.

3.3.3.2. Verklaring buurvrouw

Uit de aangifte volgt dat de moeder na het incident op 17 maart 2019 met haar dochters naar haar buurvrouw is gegaan. Deze buurvrouw is als getuige gehoord en heeft verklaard dat de moeder zichtbaar overstuur met haar dochters bij haar langskwam. Zij heeft waargenomen dat het slachtoffer huilde en verder niets zei.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de door de getuige waargenomen emoties niet als steunbewijs kunnen dienen. In dit geval kunnen de emoties ook anders worden opgevat. Uit het dossier blijkt bijvoorbeeld dat de moeder boos en overstuur was, en dat zij haar zoon heeft geslagen. De emotionele toestand van het slachtoffer kan ook hierdoor zijn veroorzaakt.

3.3.3.3. Verklaring verdachte

De verdachte heeft tijdens de zitting stellig ontkend dat hij het slachtoffer heeft aangeraakt. Ook de feitelijke handelingen zoals opgenomen in de beschuldiging heeft hij ontkend, zowel op de zitting als tijdens zijn politieverhoor. Ten aanzien van één moment, het incident op 17 maart 2019, heeft de verdachte verklaard dat hij samen met zijn zusje op een kamer was. Hij heeft verklaard dat hij haar broek heeft uitgedaan en dat zij beiden een onderbroek droegen. Volgens de verdachte was dit niet eerder voorgevallen en betrof dit de eerste keer. Tijdens het politieverhoor heeft hij hierover verklaard dat dit verkeerd was en dat hij iets heeft gedaan wat niet mocht. Op de zitting heeft hij verklaard dat hij naar haar onderbroek wilde kijken.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook deze verklaring niet kan worden gebruikt als steunbewijs voor de verklaring van het slachtoffer. De verklaring van de verdachte strookt namelijk niet met de verklaring van het slachtoffer. Hoewel uit de verklaring volgt dat er op 17 maart 2019 iets is voorgevallen dat als ontucht kan worden geduid, ondersteunt deze verklaring niet de feitelijke handelingen zoals omschreven in de beschuldiging.

3.3.4.

Conclusie

De verklaring van het slachtoffer wordt onvoldoende ondersteund door ander bewijsmateriaal in het dossier. De handelingen waarvan de verdachte wordt beschuldigd vinden geen steun in de overige stukken van het dossier. Dit brengt mee dat de rechtbank de verdachte vrijspreekt.

4 Vordering benadeelde partij

4.1.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich als benadeelde partij gesteld en heeft A.Y. Bleeker gemachtigd om haar in dit kader te vertegenwoordigen. Namens de benadeelde partij is gevorderd de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 7.982,04, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 482,04 voor vergoeding van materiële schade (reiskosten) en € 7.500,00 voor vergoeding van immateriële schade. Verder is namens de benadeelde partij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

4.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de vordering benadeelde partij toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4.3.

Standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de verdediging de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de verzochte vrijspraak.

Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering voor wat betreft het materiële deel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet is onderbouwd. De verdediging verzoekt de vordering voor wat betreft het immateriële deel fors te matigen.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt de verdachte vrij. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

5 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

vordering benadeelde partij

  • verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;

  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. T. van Haaren-Paulus, voorzitter, mrs. H. den Haan en C. van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 maart 2018 tot en met 17 maart 2019 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , althans in Nederland,

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2010, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het met zijn, verdachtes, (blote) lichaam op die [slachtoffer] liggen en/of

- het met zijn, verdachtes, penis en/of onderlichaam (op de onderbroek) betasten van en/of wrijven/duwen tegen/tussen de billen, anus, vagina en/of onderrug van die [slachtoffer] en/of

- het klaarkomen op/over de billen en/of rug van die [slachtoffer] .