Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft zij het volgende betoogd. De verklaring van [slachtoffer 2] is betrouwbaar omdat de details waarover zij heeft verklaard allemaal blijken te kloppen: het signalement, de auto waar verdachte in rijdt, waar hij woont, maar ook het raam van de woning van verdachte waar hij naakt voor zou hebben gestaan. Daarnaast heeft verdachte bij de rechter-commissaris verklaard dat [slachtoffer 2] misschien toch iets door het folie, die op het raam aanwezig is, heeft gezien. Deze verklaring bij de rechter-commissaris vindt bevestiging in hetgeen verdachte bij de reclassering heeft gezegd, namelijk dat hij naakt slaapt en hij eerst de gordijnen opendoet als hij opstaat. Daar komt bij dat
de politie heeft geconstateerd dat het raamfolie doorzichtig is, zodat mensen van buitenaf er doorheen kunnen kijken. De verklaring van [slachtoffer 2] en de aangifte die namens haar is gedaan door haar broer [broer slachtoffer 2] , vinden, gelet op het voorgaande, voldoende steun in andere bewijsmiddelen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verklaring van [slachtoffer 2] vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen, zodat er niet wordt voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De verklaring van aangever [broer slachtoffer 2] , de broer van [slachtoffer 2] , is een weergave van hetgeen hij van [slachtoffer 2] heeft gehoord. Aangever heeft geen eigen waarneming gedaan omtrent het ten laste gelegde en de aangifte is daarmee een de auditu-verklaring. Verdachte heeft bovendien bij de politie en hier ter terechtzitting ontkend dat hij naakt voor het raam heeft gestaan.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft het onder 1 en 3 ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Feit 2
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Juridisch kader
In zedenzaken doet zich veelal de situatie voor dat naast het slachtoffer en de verdachte geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele of ontuchtige handelingen. Ook in deze zaak is dit het geval. Volgens artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), kan de rechter het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, niet uitsluitend aannemen op basis van de verklaring van één getuige (het slachtoffer). Er moet, met andere woorden, ander bewijsmateriaal zijn dat de verklaring van het slachtoffer voldoende ondersteunt. Indien dit steunbewijs ontbreekt, zal de rechter de verdachte moeten vrijspreken. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is evenwel niet vereist dat de ten laste gelegde handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende kan zijn dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde, specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Voorwaarde hierbij is wel dat dit steunbewijs afkomstig is van een andere bron dan het slachtoffer en dat er niet een te ver verwijderd verband bestaat tussen de verklaring van het slachtoffer en het steunbewijs. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer 2]
De rechtbank stelt voorop dat de door [slachtoffer 2] gegeven informatie authentiek overkomt en consistent is. Zij heeft consistent en gedetailleerd verklaard over de aard van de ten laste gelegde handelingen en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Dit gegeven alleen is echter, gelet op de hierboven weergegeven wettelijke bepaling, niet genoeg om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
Onvoldoende steunbewijs
De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de belastende verklaring van [slachtoffer 2] over de door verdachte verrichte handelingen, voldoende steun vindt in ander objectief bewijsmateriaal. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt hiertoe als volgt.
Uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] op enig moment aan haar broer heeft verteld dat zij de overbuurman van nummer 2 (verdachte) in de ochtend op verschillende dagen naakt voor het raam heeft zien staan. De overbuurman zou daarbij oogcontact met haar hebben gemaakt. De broer, [broer slachtoffer 2] , heeft aangifte gedaan namens [slachtoffer 2] en zijn verklaring is een weergave van hetgeen [slachtoffer 2] aan hem heeft verteld. [broer slachtoffer 2] heeft niet over eigen waarnemingen met betrekking tot het ten laste gelegde verklaard. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat dit een de auditu-verklaring betreft, zodat enkel deze verklaring niet voldoende steunbewijs oplevert.
De rechtbank ziet in tegenstelling tot de officier van justitie ook geen steunbewijs in hetgeen verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard. Verdachte heeft gesuggereerd dat [slachtoffer 2] misschien iets door het folie heeft kunnen zien. De rechtbank is echter van oordeel dat deze verklaring niet impliceert dat verdachte naakt voor het raam heeft gestaan. De verklaring van verdachte bij de reclassering kan volgens vaste jurisprudentie niet gebruikt worden voor het bewijs, zodat de rechtbank een beoordeling van deze verklaring achterwege laat.
Conclusie
Alles overwegend is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer 2] , waardoor niet is voldaan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv. De rechtbank zal verdachte om die reden vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.
Feit 1
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
De door verdachte ter zitting van 24 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Het klopt dat ik op 14 juni 2025 op het naaktstrand in Meppel ben geweest.
?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 augustus 2025, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025160331 d.d. 20 november 2025, inhoudend als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :
V: Wat is er gebeurd waarvan jij aangifte komt doen?
A: Toen kwam die man er weer aan. Hij vroeg toen of wij zijn piemel wilden zien, iedereen zei nee maar eentje uit de groep zei voor de grap "ja". Toen trok hij zijn zwembroek snel naar beneden. Vervolgens ging hij er een beetje mee spelen. Met zijn geslachtsdeel. Dat duurde een paar minuten.
V: Waar gebeurde dit? [adres] . A: [adres] .
V: Hij komt bij jullie staan en dan?
A: Hij zat een beetje met een hand in zijn zwembroek. Toen vroeg hij of wij zijn piemel wilden zien. Hij zei ook dat hij wel een mooie grote piemel had. En dat hij onze piemels ook wel wilde zien. Hij vroeg of die ook groot waren. Toen hij vroeg of wij onze piemel niet wilden laten zien had hij zijn piemel al uit zijn zwembroek.
V: Heb jij die man al eens eerder gezien?
A: Nee. Maar later heb ik hem nog wel gezien. Ik zag hem toen weer bij het grachtenfestival in Meppel. Ik heb toen foto's van hem gemaakt.Ik wist zeker dat dit de man was. Ik heb de foto's ook nog aan mijn vrienden laten zien. Die zeiden ook dit is de man van het strand. Ik herkende de man aan zijn loopje. Hij had een langzamer loopje. Ik herkende hem aan zijn hoofd en zijn buikje.
3. ? ?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 augustus 2025, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van getuige [getuige] :
V: De man komt bij jullie en dan?
A: De man kwam terug en vroeg: “wil je hem ook van dichtbij zien". Toen zeiden wij nee en [naam] zei; “ja".
V: En toen?
A: Toen deed hij zijn broek omlaag.
V: Hij liet gewoon zijn piemel zien? A: Ja.
A: Toen is hij nog ergens weggelopen. Ik ben toen op mijn plek gaan zitten. Daarna kwam hij weer terug en ging hij achter ons staan en liet hij weer zijn piemel zien.
V: Heb jij een foto/filmpje van [slachtoffer 1] (aangever) gekregen? Vertel daar eens alles over? A: Hij stuurde fotos van die man. Die man die bij ons stond en zijn piemel liet zien.
V: Waaraan herkende jij die man dat het dezelfde man was? A: Aan zijn gezicht herkende ik hem.
4. ? ?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant ] :
Op 8 augustus 2025 toonde een collega van afdeling zeden mij een document met daarop een foto van verdachte waarnaar een onderzoek liep. Ik zag direct, zonder enige twijfel, dat het [verdachte] betrof.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. De aangifte van [slachtoffer 1] is naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar en vindt voldoende steun in ander bewijsmateriaal. De vrienden van aangever die op de bewuste dag ook aanwezig waren bij de zwemplas, hebben een gelijkluidende verklaring afgelegd over hetgeen is voorgevallen. Aangever en de getuige [getuige] hebben verklaard dat een man die zij eerder op het naaktstrand zagen, hen opzocht en aan de groep jongens heeft gevraagd of zij zijn geslachtsdeel wilden zien. De man heeft vervolgens zijn broek naar beneden getrokken. Aangever heeft de man een dag later herkend en een foto van hem gemaakt. Getuige [getuige] heeft bevestigd dat de man op deze foto de man is die hen de dag ervoor lastigviel bij de zwemplas. Bovendien heeft op basis van deze foto herkenning van verdachte door een verbalisant plaatsgevonden. Daar komt bij dat verdachte zelf ook heeft verklaard op het naaktstrand, gelegen naast de plek waar aangever en getuigen lagen, te zijn geweest.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het aftrekken en/of aanraken van de ontblote penis van verdachte (tweede
gedachtestreepje). De aangifte wordt op dit onderdeel niet ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Feit 3
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. ?De door verdachte ter zitting van 24 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik ben op 1 augustus 2025 bij het zwembad in [plaats] geweest. Er is een terrasje bij het zwembad en daar heb ik rondgekeken.
2. ? ?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 augustus 2025, opgenomen op pagina 96 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025160331 d.d. 20 november 2025, inhoudend als verklaring van [naam 2]:
V: Wat kunt u vertellen wat er is gebeurd?
A: Het was 1 augustus 2025. Ze kwamen binnen met wat opwinding. Ze waren ook wel een beetje geschrokken. Ze zeiden dat een man seksbewegingen maakte (dit was volgens [slachtoffer 4] , zij is al wat ouder en benoemde de bewegingen die hij maakte als seks bewegingen), een blote man. Ze vertelden dat ze hadden gezwommen en ze waren zich aan het omkleden. Hij was in zijn blote piemel en hij keek naar hen en hij zat aan zijn piemel.
V: Konden ze vertellen wat die man met zijn piemel deed?
A: Ze maakten gebaren alsof die man zichzelf aan het aftrekken was. Mijn nichtje deed na hoe de man deed en dat waren duidelijk aftrek bewegingen. Mijn nichtje zei dat het duidelijk was dat hij gezien wilde worden.
3. ? ?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 november 2025, opgenomen op pagina 104 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3]:
A: En toen opeens stond er een meneer helemaal in zn blootje.
A: En volgens mij zei [slachtoffer 4] ook dat hij zo deed bij zn piemel, nee, dat ie een beetje zo deed. Naar [slachtoffer 4] .
O: Tijdens bovenstaande doet de getuige haar linkerhand, met de vingers gebogen richting de duim, ter hoogte van haar kruis. Vervolgens doet de getuige haar rechterhand, met de vingers gebogen richting de duim, voor haar linkerhand, en maakt vervolgens twee (2) bewegingen, ter hoogte van haar kruis, van haar af en weer naar zich toe.
A: Hij bleef ons echt een half uur heel erg veel treiteren en uitlokken. V: Hoe deed ie dat dan, dat treiteren en uitlokken?
A: Steeds om het hoekje kijken. Voor ons staan. En dat seksgebaar. Eigenlijk alles.
4. ? ?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 november 2025, opgenomen op pagina 149 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4]:
A: En er was een rare man in het zwembad. Dus toen deed ie een heel raar gebaar. A: Maar ik heb het ook niet allemaal heel erg goed gezien. Hij dan, deed dan zo.
O: Getuige maakt van haar rechterhand een "O" gebaar en maakt opgaande en neergaande bewegingen voor haar borst, net boven de rand van de tafel.
A: Ik weet niet wat dat is, maar hij deed wel zoiets. En dat deed ie in zijn nakie, en dat deed ie voor dit.
O: Getuige gaat met haar rechterhand naar haar kruis en beweegt met haar hand in rondjes voor haar kruis.
V: En nu zag je de piemel van die meneer, begrijp ik. A: Uhuh. Toen deed hij dit ervoor.
O: Getuige maakt met haar rechterhand een "O" gebaar en maakt met haar hand een opgaande en neergaande beweging.
A: En ja, verder bleef tie maar staan en bleef ie ons aankijken.
5. ? ?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 augustus 2025, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant ] en [verbalisant ]:
Op vrijdag 1 augustus 2025 waren wij () beiden werkzaam. Op voornoemde datum kregen wij de opdracht om te gaan naar het adres [adres] . Op dit adres bevindt zich het recreatiepark [recreatiepark] . Daar werden wij aangesproken door een medewerker van de technische dienst die ons de beveiligingsbeelden bij het zwembad liet zien. Nadat wij een man van middelbare leeftijd op de beelden zagen staan, hoorden wij de minderjarigen zeggen dat deze persoon de man is die zij eerder die middag in de kleedkamer van het zwembad hebben zien staan. Wij hoorden de minderjarigen zeggen dat zij de man herkenden aan zijn snor en bril die hij droeg.
6. ? ?Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 augustus 2025, opgenomen op pagina 226 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte:
O: Aan verdachte [verdachte] worden een tweetal foto's getoond. V: Wat zie je hier?
A: Dat ben ik.
V: Dit zijn foto's van 1 augustus 2025 van de beveiligingscamera bij het park [recreatiepark] .
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen overweegt de rechtbank het volgende. De verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar en vinden voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Verdachte heeft verklaard bij het zwembad in [plaats] te zijn geweest en dat hij daar bij de ingang en het terras in het zwembad heeft rondgekeken. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben beiden verklaard dat zij een naakte man bij de kleedkamers zagen, dat hij seksbewegingen maakte en hen daarbij steeds is blijven aankijken. Als zij diezelfde dag nog meekijken naar de camerabeelden van de ingang van het zwembad, verklaren zij de man te herkennen aan zijn snor en bril. De afbeeldingen van die camerabeelden worden aan verdachte getoond en verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf herkent.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Overwegingen
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest. Als bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met minderjarigen.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) moet worden opgelegd. De maatregel zou een gebiedsverbod voor alle zwembaden en zwemplassen in Nederland moeten inhouden.
De officier van justitie heeft tot slot gevorderd dat zowel de op te leggen voorwaarden als het gebiedsverbod als bedoeld in artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar moeten worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafoplegging voorgesteld om een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 11 december 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het seksueel corrumperen van kinderen onder de zestien jaar door zijn geslachtsdeel op verschillende momenten te tonen aan een jongen van veertien jaar en twee meisjes van acht en negen jaar. Dit gebeurde in beide gevallen bij een zwemgelegenheid, een plek waar kinderen doorgaans heengaan voor plezier en zich veilig moeten kunnen voelen. Op 14 juni 2025 zocht verdachte de veertienjarige jongen en zijn vrienden op en vroeg hen of zij zijn geslachtsdeel wilden zien. Hij heeft minstens een paar minuten met zijn zwembroek naar beneden gestaan, terwijl de jongens duidelijk maakten dat hij weg moest gaan. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat dit slachtoffer nog last heeft van herbelevingen, waarvoor EMDR-therapie is geïndiceerd.
Bij het incident op 1 augustus 2025 stond verdachte naakt bij de kleedkamers van een zwembad in [plaats] . Hij probeerde oogcontact te maken met de twee jonge meisjes door hen steeds aan te kijken en daarbij ter hoogte van zijn kruis aftrekbewegingen te maken. Verdachte ging op een doordachte wijze te werk door zich telkens te verstoppen als een ouder of badmeester langsliep. Hij heeft deze slachtoffers gedurende geruime tijd lastiggevallen.
Verdachte heeft met zijn handelen de seksuele integriteit van drie kinderen geschonden. Hij heeft hen geconfronteerd met seksuele gedragingen, waardoor zij mogelijk zijn geschaad in hun seksuele ontwikkeling. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden en hij heeft zich enkel en alleen laten leiden door de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeftes. Verdachte heeft bovendien op geen enkele manier
verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 27 januari 2026 blijkt dat hij in 2021 is veroordeeld voor soortgelijke feiten en in de jaren daarvoor ook meerdere keren in aanraking met justitie is geweest voor zedendelicten. De reclassering heeft in haar rapport van 11 december 2025 kort samengevat het volgende vermeld.
De reclassering beschouwt de leefgebieden psychosociaal functioneren en de houding van verdachte als delictgerelateerd en risicoverhogend. Verdachte heeft zijn eigen behoeftes laten prevaleren en is volledig voorbij gegaan aan de integriteit van de slachtoffers die ongewild getuige zijn geweest van zijn handelen. Verdachte is in het verleden gediagnosticeerd met een exhibitionismestoornis (hoofddiagnose), een vermijdende persoonlijkheidsstoornis en een pedofiele stoornis (van het niet-exclusieve type). Op de overige leefgebieden lijken zich geen grote problemen voor te doen. Verdachte is gepensioneerd, heeft een vaste relatie en beschikt over een huisvesting en een inkomen. De reclassering schat in dat er een matig-hoge kans is op seksuele recidive, maar ziet geen mogelijkheden om met nieuwe interventies de risicos te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat oplegging aan verdachte van een gevangenisstraf voor de duur van 377 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden is. Het onvoorwaardelijk strafdeel is daarmee gelijk aan de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals gevorderd door de officier van justitie, te weten een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met minderjarigen.
De rechtbank zal niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar zijn. Aan de wettelijke eis dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, is namelijk niet voldaan.
De rechtbank gaat niet over tot oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. Het door de officier van justitie gevorderde gebiedsverbod, betrekking hebbende op alle zwembaden en zwemplassen in Nederland, acht de rechtbank disproportioneel gelet op de omvang en de beperkingen die het verbod met zich mee zou brengen.
een gevangenisstraf voor de duur van 377 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
dat veroordeelde zich gedurende proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, [adres] , zo vaak als de reclassering dat noodzakelijk acht;
dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met minderjarigen, tenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
het bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro);
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 400,00 (zegge: vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 4 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.