Strafrecht overig
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel invoer cocaïne
Rechtbank Midden-Nederland, 30 januari 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:1298 · Rechtbank Midden-Nederland · 30 januari 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-midden-nederland/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbmne-2015-1298
Zaakgegevens
Op 30 januari 2015 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Midden-NederlandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 30 januari 2015
- Datum publicatie
- 3 maart 2015
- Zaaknummer
- 16-661737-14 (ontneming)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBMNE:2015:1298
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel invoer cocaïne
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/661737-14 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 januari 2015
in de ontnemingszaak tegen
[verdachte] ,
geboren [1959] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres], [postcode] te [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2015.
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- de schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 23 december 2014, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- het strafdossier onder parketnummer 16/661737-14, waaruit blijkt dat verdachte bij vonnis van 30 januari 2015 van deze rechtbank is veroordeeld ter zake van -kort gezegd- medeplegen van opzettelijke invoer van cocaïne in de periode van 16 tot en met 29 juli 2014;
- het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, nr. 2014208338 d.d.
16 september 2014, pagina 1 - 5;
- de overige stukken,
en de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.M.P.M. Adank, advocaat te Utrecht.
2 De beoordeling
De vordering van de officier van justitie
De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.700,--.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zijn vordering gehandhaafd, zodat een bedrag van € 10.700,-- van veroordeelde ontnomen dient te worden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De raadsman heeft de rechtbank verzocht het geldbedrag, in beslag genomen onder de vrouw van de veroordeelde, te verrekenen met het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel, nu zij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op grond van de navolgende feiten en omstandigheden die aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend.
De rechtbank gebruikt als grondslag voor de schatting van de hoogte van dit wederrechtelijk voordeel het bovengenoemde Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van
16 september 2014. De rechtbank stelt vast dat de wijze van het berekenen van de opbrengst of kosten door de verdediging niet is weersproken. De rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding om van deze wijze van berekening af te wijzen en neemt deze dan ook als uitgangspunt.
Opbrengst
De veroordeelde heeft verklaard in april 2014 cocaïne te hebben gesmokkeld vanuit Curaçao naar Nederland. Hiervoor heeft hij € 3.400,- ontvangen. In juni 2014 heeft hij wederom cocaïne gesmokkeld vanuit Curaçao naar Nederland. Hiervoor heeft hij € 7.300,- ontvangen.
Aan de hand hiervan stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde door middel van of uit baten van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, voordeel heeft verkregen dat de rechtbank schat op een bedrag van € 10.700,--.
Kosten
Uit onderzoek is niet gebleken dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt voor het smokkelen van cocaïne vanuit Curaçao naar Nederland. Er worden dan ook geen kosten in mindering gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op basis van het voorgaande:
Opbrengst € 10.700,--
Af: Kosten € 0
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 10.700,--
De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van voormeld bedrag van € 10.700,-- kan aan de veroordeelde worden opgelegd.
In beslag genomen geldbedrag
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag, in beslag genomen onder medeverdachte [medeverdachte], verrekend dient te worden met het bedrag van het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat het geldbedrag, te weten € 4.539,32, is aangetroffen en in beslag genomen bij medeverdachte [medeverdachte] en dat zij heeft verklaard dat dit goed aan haar toebehoort. Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 30 januari 2015, bekend onder parketnummer 16/661736-14, is de teruggave van dit geldbedrag gelast aan medeverdachte [medeverdachte], nu niet is gebleken dat dit goed uit de baten van het ten aanzien van haar bewezenverklaarde feit is verkregen of dat medeverdachte [medeverdachte] op zodanige wijze betrokken was bij de verkoop van cocaïne door verdachte [verdachte], waarmee zij de cocaïne aanwezig had, dat dit geldbedrag alsnog in relatie te brengen is met het bewezenverklaarde strafbare feit. De rechtbank stelt dan ook vast dat voornoemd geldbedrag niet in aanmerking komt voor verrekening.
3 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
4 De beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 10.700,-- (zegge: tienduizendzevenhonderd euro en nul eurocent).
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.700,-- (zegge: tienduizendzevenhonderd euro en nul eurocent).
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.A. Gerritse, voorzitter,
mrs. A.R. Creutzberg en K.J. Veenstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Strijbos, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank 30 januari 2015.