Strafrecht overig

Ontneming: afwijzing vordering

Rechtbank Midden-Nederland, 13 juli 2023

Zaakgegevens

Op 13 juli 2023 heeft de Rechtbank Midden-Nederland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
13 juli 2023
Datum publicatie
8 augustus 2023
Zaaknummer
16.291619-21
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2023:4149
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ontneming: afwijzing vordering

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/291619-21 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming

in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

gedetineerd (uit andere hoofde) in P.I. [verblijfplaats] ,

hierna: veroordeelde

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 juni 2023.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen veroordeelde en mr. C.Y. Kekik, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

2 BEOORDELING VAN DE VORDERING

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om de vordering tot ontneming af te wijzen.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de vordering tot ontneming af te wijzen. Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard de schadevergoeding aan de benadeelde partij te zullen betalen.

2.3

Het oordeel van de rechtbank

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2023, voor zover relevant, veroordeeld voor het medeplegen van oplichting. De rechtbank heeft bij het vonnis de vordering van de benadeelde partij (voor de materiële schade) toegewezen tot een bedrag van € 4.850, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Niet is gebleken dat veroordeelde meer wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dan de rechtbank aan de benadeelde partij heeft toegewezen.

Op grond van artikel 36e lid 8 Sr worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Toepassing van deze regeling betekent dat per saldo geen wederrechtelijk verkregen voordeel meer overblijft. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal daarom op nihil worden vastgesteld.

De vordering tot het opleggen van een betalingsverplichting zal om bovenstaande redenen worden afgewezen.

3 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN


Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

4 BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil;

- wijst af de vordering van het Openbaar Ministerie tot het opleggen van een betalingsverplichting ter ontneming van door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck. voorzitter, mrs. A.M.M. Lemmen en B. Vis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Wolters, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 juli 2023.

De griffier, de jongste rechter en de oudste rechter zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.