Bestuursrecht overig

Beroep ongegrond. Last onder dwangsom vanwege overtreding van de Apv. De last houdt in dat eiser niet nog een…

Rechtbank Noord-Holland, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
HAA 25/3719
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:13681
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep ongegrond. Last onder dwangsom vanwege overtreding van de Apv. De last houdt in dat eiser niet nog een keer een wapen of een voorwerp dat daarop lijkt op zak mag hebben. Dwangsom verbeurd en ingevorderd. De burgemeester heeft zich mogen baseren op de bestuurlijke rapportage. Het opleggen van de last onder dwangsom is niet onevenredig. Geen sprake van een uitzondering uit de Apv.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 25/3719


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit Aerdenhout, eiseres

(gemachtigde: mr. J. Wassink),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

(gemachtigden: mr. B.N. Deun en B. Kooij).

Samenvatting

1.1

Deze uitspraak gaat over de intrekking van de kadastrale splitsingsvergunning van eiseres. Eiseres is het niet eens met deze intrekking. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de splitsingsvergunning heeft mogen intrekken.

1.2

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het intrekken van de splitsingsvergunning in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1

Met het bestreden besluit van 15 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit tot intrekken van de splitsingsvergunning gebleven.

2.2

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1

Op 9 april 2024 heeft eiseres een aanvraag gedaan om een vergunning voor het kadastraal splitsen van het pand op het perceel [adres] in Haarlem in vijf appartementsrechten. Bij deze aanvraag heeft eiseres de vraag of zij beschikte over een omgevingsvergunning voor het bouwkundig splitsen bevestigend beantwoord, onder verwijzing naar de omgevingsvergunning verleend op 23 januari 2020, met kenmerk 2019-10226.

3.2

Het college heeft de splitsingsvergunning met het besluit van 23 mei 2024 verleend.

3.3

Vervolgens is uit nader onderzoek door het college gebleken dat de omgevingsvergunning uit 2020 geen betrekking heeft op een bouwkundige splitsing in vijf wooneenheden. De omgevingsvergunning ziet op één bovenwoning met een dakopbouw.

3.4

Op 28 november 2024 heeft het college het voornemen verzonden om de splitsingsvergunning van 23 mei 2024 in te trekken.

3.5

Op 31 januari 2025 heeft de toezichthouder een controle uitgevoerd op het perceel. Uit de tijdens het controlebezoek van 31 januari 2025 overhandigde bouwtekeningen blijkt dat zich op de begane grond een winkel van Hema bevindt, dat zich op de eerste verdieping twee zelfstandige wooneenheden bevinden en dat zich op de derde verdieping drie zelfstandige wooneenheden bevinden. Volgens deze tekeningen hebben de woningen gebruiksoppervlakten van 40 m2, 53 m2, 36 m2, 50 m2 en 54 m2. Het pand bestaat dus uit vijf zelfstandige wooneenheden in plaats van één. Eiseres is niet in het bezit van een omgevingsvergunning voor het bouwkundig splitsen in vijf wooneenheden. Eiseres is ook niet in het bezit van een woningvormingsvergunning.

3.6

Met het besluit van 25 februari 2025 heeft het college besloten de kadastrale splitsingsvergunning in te trekken, omdat deze vergunning is verleend op basis van door eiseres verstrekte gegevens waarvan zij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat deze onjuist of onvolledig waren. Deze intrekkingsmogelijkheid staat in artikel 3.2.6, eerste lid, sub b, van de Huisvestingsverordening Zuid-Kennemerland/IJmond: Haarlem 2022 (hierna: de Huisvestingsverordening).

3.7

De situatie kan volgens het college niet gelegaliseerd worden, omdat de huidige indeling niet voldoet aan de voorwaarden voor een woningvormingsvergunning, zoals neergelegd in artikel 3.1.5. van de Huisvestingsverordening. Er zijn woningen kleiner dan 50 m2 gebruiksoppervlak, er ontbreekt een woning met een gebruiksoppervlak van ten minste 80 m2 en eiseres beschikt niet over een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bouwkundige splitsing. Het college acht het onwaarschijnlijk dat eiseres deze laatst genoemde omgevingsvergunning zal krijgen.

3.8

Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het intrekkingsbesluit in stand gelaten.

Heeft het college voldaan aan de onderzoeksplicht?

4.1

Eiseres erkent dat zij abusievelijk heeft vermeld in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning voor het bouwkundig splitsen in vijf appartementsrechten. Eiseres voert echter aan dat niet enkel vanwege die reden kan worden overgegaan tot intrekking van de aan haar verleende splitsingsvergunning, onder gebruikmaking van artikel 3.2.6, eerste lid, sub b, van de Huisvestingsverordening. Volgens vaste rechtspraak mag een vergunning die is verleend op grond van een onjuiste of onvolledige opgave alleen worden ingetrokken als vaststaat dat de vergunning juist wegens die onjuistheid in de overgelegde gegevens is verleend. Dat is in onderhavig geval niet aan de orde. Eiseres voert aan dat het aan het nalaten van enige beoordeling van de aanvraag door het college te wijten is dat de vergunning ten onrechte verleend is.

Eiseres stelt zich daarbij op het standpunt dat artikel 3.2.6, eerste lid, sub b, vereist dat sprake moet zijn van enige opzet of schuld aan de zijde van eiseres. Daar is geen sprake van. Eiseres heeft onbewust een verkeerde vergunning benoemd. Als het college de aanvraag gecontroleerd zou hebben, dan had de omissie direct aan het licht kunnen zijn gekomen. Daarbij is ook van belang dat het college te kennen heeft gegeven dat een omgevingsvergunning voor het bouwkundig splitsen in dit geval nooit verleend zou zijn aan eiseres. Daardoor had het college meteen moeten zien dat de opgegeven omgevingsvergunning niet juist was.
Eiseres voert verder aan dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel om de verleende splitsingsvergunning pas vele maanden later weer in te trekken. De appartementen zijn inmiddels al gerealiseerd en er is ook al een appartement verkocht.

4.2

Het college stelt zich op het standpunt dat vaststaat dat eiseres bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt. Het gaat in het onderhavige geval om een gegeven dat relevant is voor de beoordeling van de aanvraag. Een aanvrager is verplicht de juiste gegevens te verstrekken. De intrekkingsgrond van artikel 3.2.6, eerste lid, sub b, van de Huisvestingsverordening zou haar betekenis verliezen als een vergunning niet meer zou kunnen worden ingetrokken zodra het college de onjuistheden in een aanvraag eerder had kunnen ontdekken. De intrekkingsbevoegdheid is juist bedoeld voor gevallen waarin achteraf blijkt dat een vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Op de aanvrager rust een eigen verantwoordelijkheid om juiste en volledige gegevens te verstrekken bij de aanvraag. Deze verantwoordelijkheid bestaat naast de onderzoeksplicht van het college.
Volgens het college is van belang dat eiseres eigenaar en initiatiefnemer was. Zij kende de feitelijke indeling. Tijdens de hoorzitting is bovendien verklaard dat aanvankelijk kamers waren beoogd, maar dat uiteindelijk is gekozen voor zelfstandige studio’s. Dat is een wijziging in de woonruimtevoorraad. Van eiseres mocht worden verwacht dat zij wist dat daarvoor publiekrechtelijke toestemming nodig is. Daarbij komt dat eiseres kan worden aangemerkt als professionele partij. Zij heeft meerdere panden en woningen in eigendom in Haarlem en Zandvoort en is eigenaar van [bedrijf] , gevestigd te Haarlem. Gezien haar kennis en ervaring als professionele partij in de vastgoedsector mag worden aangenomen dat zij op de hoogte is, althans behoort te zijn, van de voor haar activiteiten relevante wet- en regelgeving.
Eiseres heeft in het aanvraagformulier verklaard dat de gegevens juist, volledig en naar waarheid waren ingevuld. Het college kent daar betekenis aan toe. Een aanvrager die een vergunning aanvraagt voor een ingrijpende rechtshandeling als kadastrale splitsing, mag niet volstaan met het invullen van een vergunningsnummer zonder te controleren of dat nummer daadwerkelijk ziet op de nieuwe voorgenomen situatie.

Het college erkent dat de intrekking nadelige gevolgen kan hebben voor eiseres. Dit betekent alleen niet dat de intrekking onrechtmatig is. Het college erkent ook dat aan een verleende en onherroepelijk geworden vergunning in beginsel betekenis toekomt vanuit het oogpunt van rechtszekerheid. Het college stelt zich echter op het standpunt dat dit niet betekent dat een onherroepelijk geworden vergunning nooit meer kan worden ingetrokken.

Dat eiseres uitvoering heeft gegeven aan de vergunning en al een wooneenheid heeft verkocht, maakt de intrekking niet onevenredig. Deze omstandigheden zijn het gevolg van handelen op basis van een vergunning die was gebaseerd op door eiseres onjuist verstrekte gegevens bij de aanvraag. Daartegenover staat een zwaarwegend algemeen belang bij intrekking. Gelet op de aard en betekenis van de onjuiste gegevens bij de aanvraag, het ontbreken van de benodigde vergunningen, het ontbreken van de mogelijkheid tot legalisatie en het algemeen belang bij een juiste regulering van de woonruimtevoorraad, stelt het college dat de kadastrale splitsingsvergunning terecht is ingetrokken.

4.3.1

De rechtbank is van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden onevenredig is om de aan eiseres verleende splitsingsvergunning in te trekken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college niet alleen over het hoofd heeft gezien dat een verkeerde omgevingsvergunning bij de aanvraag was gevoegd, maar ook dat er geen woningvormingsvergunning aan eiseres is verleend. Daarbij is het college er ook aan voorbij gegaan dat een woningvormingsvergunning, gelet op de criteria uit artikel 3.1.5. van de Huisvestingsverordening, in dit geval niet verleend had kunnen worden. Het college had verder bij controle van de aanvraag met één blik kunnen zien dat de verkeerde omgevingsvergunning bijgevoegd was.
Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de appartementen al heeft gerealiseerd, er al een appartement is verkocht en zij flinke heeft kosten gemaakt.

Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het college de mogelijkheid heeft om af te wijken van de criteria uit artikel 3.1.5., eerste lid, van de Huisvestingsverordening. Van deze bevoegdheid had het college, naar het oordeel van de rechtbank, in dit geval gebruik moeten maken bij de toets of sprake was van een concreet zich op legalisatie, gelet op de zwaarwegende belangen van eiseres.

In deze omstandigheden heeft het college het algemene belang van regulering van de woningmarkt niet zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres bij behoud van de splitsingsvergunning.

Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan de beoordeling of de intrekking van de splitsingsvergunning in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

4.3.2

Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding in geval de intrekking in stand zou blijven. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de intrekking onevenredig is, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

5.1

Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf een beslissing en herroept het besluit van 25 februari 2025 waarmee de splitsingsvergunning is ingetrokken. Dat betekent dat de splitsingsvergunning van 23 mei 2024 herleeft.

5.2

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.

Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiseres heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 juli 2025;

- herroept het besluit van 25 februari 2025;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M.A.V. van Kleef, rechter, in aanwezigheid van mr. N.L. Pruntel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.