Bestuursrecht overig
Wrakingskamer. Verzoekster is niet-ontvankelijk, nu het wrakingsverzoek is ingediend heeft nadat de rechter…
Rechtbank Noord-Holland, 9 december 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:13014 · Rechtbank Noord-Holland · 9 december 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/bestuursrecht/bestuursrecht-overig/wraking/ecli-nl-rbnho-2024-13014
Zaakgegevens
Op 9 december 2024 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak over bestuursrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 9 december 2024
- Datum publicatie
- 16 december 2024
- Zaaknummer
- C/15/359594 HA RK 24-178
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Bestuursrecht overig
- Procedure
- WrakingWrakingEen partij vraagt om een rechter van de zaak te halen, omdat zij twijfelt aan diens onpartijdigheid.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2024:13014
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Wrakingskamer. Verzoekster is niet-ontvankelijk, nu het wrakingsverzoek is ingediend heeft nadat de rechter uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]beslissing
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/359594 HA RK 24-178
Beslissing van 9 december 2024
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster] ,
wonende te Schagen,
verzoekster,
gemachtigde in de hoofdzaak: mr. J.R.R. Oevering.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. S.A. van Hoorn,
hierna te noemen: de rechter.
1 Procesverloop
Verzoekster heeft op 2 december 2024 bij e-mailbericht schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, locatie Haarlem behandelde zaak met als zaaknummer HAA 24/1971, hierna te noemen: de hoofdzaak. Wederpartij in de hoofdzaak is de inspecteur van de Belastingdienst.
De wrakingskamer heeft verzoekster bij e-mailbericht van 4 december 2024 voorgehouden dat een wrakingsverzoek niet meer kan worden behandeld als de rechter reeds einduitspraak heeft gedaan en verzoekster in de gelegenheid gesteld op dat bericht te reageren.
Verzoekster heeft haar verzoek bij e-mailbericht van 5 december 2024 gehandhaafd.
De wrakingskamer geeft deze beslissing zonder het verzoek ter zitting te behandelen.
2 Feiten
Op 15 oktober 2024 heeft de rechter de hoofdzaak op zitting behandeld. Verzoekster is daar toen met haar gemachtigde verschenen.
Op 26 november 2024 heeft de rechter (eind)uitspraak gedaan in de hoofdzaak.
In haar wrakingsverzoek deelt verzoekster mee op 2 december 2024 de uitspraak van haar gemachtigde te hebben gekregen. De gronden van het verzoek tot wraking zien met name op de behandeling ter zitting, de persoon van de rechter en de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van verzoekster in de uitspraak.
3 De beoordeling
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij de rechter, die de zaak behandelt, worden gewraakt.
Dat betekent dat een wrakingsverzoek alleen in behandeling kan worden genomen zolang de rechter de zaak nog behandelt. Als aan de zaak door een uitspraak een einde is gekomen, kan die rechter dus niet meer worden gewraakt.
Verzoekster heeft het verzoek ingediend nadat de rechter op 26 november 2024 uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. De wrakingskamer kan het verzoek daarom niet behandelen. De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking daarom niet-ontvankelijk.
In deze situatie ziet de wrakingskamer ook af van behandeling van het verzoek op een zitting, omdat er geen andere beslissing kan worden gegeven (zie artikel 5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Wrakingsprotocol rechtbank Noord-Holland).
Als verzoekster het niet eens is met de uitspraak in de hoofdzaak, kan zij daartegen hoger beroep instellen zoals onder die uitspraak is vermeld.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het verzoek tot wraking van de rechter niet-ontvankelijk,
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. T. van Muijden en mr. M.A.J. Berkers, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van B.L. Siekman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.