Arbeidsrecht
Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever, een zorginstelling, een groep werknemers mocht overplaatsen…
Rechtbank Noord-Holland, 25 juni 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:7250 · Rechtbank Noord-Holland · 25 juni 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/arbeidsrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbnho-2025-7250
Zaakgegevens
Op 25 juni 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over arbeidsrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Alkmaar
- Datum uitspraak
- 25 juni 2025
- Datum publicatie
- 1 juli 2025
- Zaaknummer
- 11440090 CV EXPL 24-4078
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Arbeidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2025:7250
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever, een zorginstelling, een groep werknemers mocht overplaatsen naar andere locaties. De kantonrechter oordeelt dat de overplaatsing toegestaan is, omdat de werkgever daarvoor voldoende dringende en zwaarwegend redenen had. De vordering van de werknemers om de overplaatsing ongedaan te maken, wordt daar¬om afgewezen. De vordering van de werknemers om de werkgever te veroordelen tot het zuiveren van hun slechte naam wordt afgewezen, omdat deze vordering onduidelijk is.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11440090 \ CV EXPL 24-4078
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
1 [eiser sub 1]
te [woonplaats]
2. [eiseres sub 2]
te [woonplaats]
3. [eiser sub 3]
te [woonplaats]
4. [eiseres sub 4]
te [woonplaats]
5. [eiseres sub 5]
te [woonplaats]
6. [eiser sub 6]
te [woonplaats]
7. [eiser sub 7]
te [woonplaats]
8. [eiser sub 8]
te [woonplaats]
eisende partijen
hierna samen te noemen: de werknemers
en afzonderlijk te noemen bij de achternaam
gemachtigde: mr. C.J. Roest
tegen
de stichting Stichting Esdégé-Reigersdaal
te Heerhugowaard
gedaagde partij
hierna te noemen: Esdégé-Reigersdaal
gemachtigde: mr. N. Sluis
De zaak in het kort
Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever, een zorginstelling, een groep werknemers mocht overplaatsen naar andere locaties. De kantonrechter oordeelt dat de overplaatsing toegestaan is, omdat de werkgever daarvoor voldoende dringende en zwaarwegend redenen had. De vordering van de werknemers om de overplaatsing ongedaan te maken, wordt daarom afgewezen. De vordering van de werknemers om de werkgever te veroordelen tot het zuiveren van hun slechte naam wordt afgewezen, omdat deze vordering onduidelijk is.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 november 2024 met 44 producties
- de conclusie van antwoord van 18 februari 2025 met producties 1 tot en met 27
- het tussenvonnis van 9 april 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de op 6 mei 2025 ontvangen producties 45 tot en met 47 en producties 35 en 36 kort geding van FNV
- de op 7 mei 2025 ontvangen producties 28 en 29 van Esdégé-Reigersdaal
- de op 6 mei 2025 ontvangen email van Esdégé-Reigersdaal
- de mondelinge behandeling van 15 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiseres sub 2] is ter zitting niet verschenen. Beide partijen hebben pleitnotities in het geding gebracht. [eiseres sub 5] heeft namens de werknemers een stuk voorgedragen ter zitting en dit stuk overgelegd.
Op de mondelinge behandeling is meegedeeld dat op 25 juni 2025 een vonnis zal volgen.
2 De feiten
Esdégé-Reigersdaal is een zorginstelling met meerdere locaties in Noord-Holland, waaronder de locatie [A.] . Die locatie wordt ook wel ‘cluster’ genoemd. [A.] is een 24-uurs woonvoorziening in Heerhugowaard. De bewoners van de locatie [A.] zijn mensen met een verstandelijke beperking en meestal ook gedrags-, psychiatrische en/of psychische problemen.
De werknemers zijn bij Esdégé-Reigersdaal in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst. Zij zijn werkzaam in de functies van cliëntondersteuner E, cliëntondersteuner F, begeleider, cliëntbegeleider en senior cliëntbegeleider. De collectieve arbeidsovereenkomst Gehandicaptenzorg is van toepassing. Tot 10 april 2024 hebben de werknemers hun werkzaamheden verricht in de locatie [A.] .
In artikel 2 van de arbeidsovereenkomsten van de werknemers staat: “De stichting behoudt zich het recht voor, indien dringende redenen dit noodzakelijk maken, de werknemer over te plaatsen naar een andere voorziening ressorterend onder de stichting.”
Op 21 januari 2024 hebben 21 medewerkers van de locatie [A.] , onder wie de werknemers, een e-mail gestuurd aan de raad van bestuur van Esdégé-Reigersdaal (hierna: de RvB). In deze e-mail hebben de medewerkers – samengevat – hun zorgen geuit over verschillende problemen bij de locatie [A.] en hebben opgemerkt dat zij zich geïntimideerd en onveilig voelen. Ze hebben de RvB om een reactie gevraagd.
Op 23 januari 2024 heeft de toenmalige voorzitter van de RvB, de heer [toenmalige voorzitter RvB] (hierna: [toenmalige voorzitter RvB] ), gereageerd en onder meer opgemerkt dat het belangrijk is om het gesprek te (blijven) voeren over hoe de gemeenschappelijke doelen bereikt kunnen worden en dat de clustermanagers daarvoor het eerste aanspreekpunt zijn.
Op 6 februari 2024 hebben 20 (van de 29) medewerkers van de locatie [A.] (hierna ook te noemen: de klagers), onder wie de werknemers, een klacht ingediend bij de Klachtencommissie over de onrust en onveilige werksfeer bij de locatie [A.] . De klacht richt zich tegen twee met naam genoemde clustermanagers en tegen [toenmalige voorzitter RvB] . In reactie op de klacht heeft de RvB op 26 februari 2024 een verweerschrift ingediend bij de Klachtencommissie.
Op 4 maart 2024 heeft de Klachtencommissie de klacht op een hoorzitting behandeld en op 12 maart 2024 heeft de Klachtencommissie een schriftelijk advies uitgebracht aan de RvB. Het advies luidt: “De commissie adviseert u al met al de klacht ongegrond te verklaren, maar tegelijk wel snel met externe hulp stappen te ondernemen gericht op het normaliseren van de onderlinge verhoudingen, zowel binnen het cluster (inclusief de clustermanagers) als in de relatie tussen het cluster en de raad van bestuur.”
In het advies van de Klachtencommissie is verder onder meer het volgende opgenomen:
“De klagers betwisten niet dat het cluster kampt met een extreem hoog ziekteverzuim en serieuze structurele financiële tekorten. De in 2019 gesignaleerde problemen zijn nog actueel en de meeste van de 15 verbetervoorstellen zijn nog steeds niet doorgevoerd. Een belangrijk deel van die aanbevelingen richtte zich op het verbeteren van de communicatie en het onderling vertrouwen, het verduidelijken van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van iedere functie.
De problemen zijn ernstig en hardnekkig. Al zijn de individuele teamleden (terecht) trots op het cluster en hun werk, waren er aanwijsbare externe tegenslagen en richt het cluster zich op een uitdagende doelgroep, het maakt de bestaande verontrustend ontwrichte werksituatie niet anders of minder zorgwekkend. Ook de commissie heeft op de hoorzitting moeten constateren dat de verhouding tussen de klagers en de raad van bestuur welhaast vijandig is te noemen. In ieder geval is de communicatie ernstig verstoord door een massief onderling wantrouwen, ook richting gedragsdeskundigen en de clustermanagers. Het zorgplan is voor de meeste cliënten niet ingevuld. Inhoudelijk overleg lijkt te worden geboycot, gemaakte afspraken worden niet aangekomen. Incidenten worden onvoldoende gedocumenteerd en waren aanleiding tot meerdere onderzoeken door de inspectie. De medewerkers missen coaching door de senior cliëntbegeleiders, nog steeds houdt niet iedereen zich aan de werktijden, wordt geld van cliënten uitgegeven boven hun budget, wordt de inbreng van gedragsdeskundigen en clustermanagers soms genegeerd, en bestaan zorgen over de zorgvuldigheid bij de medicatieverstrekking en de privécontacten tussen cliënten en sommige begeleiders. (…)
Externe begeleiding heeft geen zichtbare verbeteringen opgeleverd. Tegen die achtergrond valt te begrijpen en te billijken dat de raad van bestuur zijn toon richting de medewerkers verscherpt vanwege onvoldoende besef van de ernst en urgentie van de situatie.
De raad van bestuur heeft met 'buigen of barsten', en de 'stekker' uit [A.] 'halen' zijn grote zorgen over zorginhoudelijke kwesties, de structurele financiële tekorten en de urgentie duidelijk willen maken. Dat had wellicht In diplomatieker bewoordingen gekund, maar het is niet ontoelaatbaar dat die sterke bewoordingen zijn gebruikt, nu het bestuur ook werkelijk serieuze twijfels heeft of het de verantwoordelijkheid voor het cluster langer kan en wil dragen.
Het is duidelijk dat verbeteringen dringend en voortvarend nodig zijn. Het past om van de medewerkers commitment te vragen bij het realiseren van die verbeteringen in het cluster. Dat had de afdeling Arbo en Gezondheid overigens in 2019 ook al geadviseerd.(…)
De commissie is nogal geschrokken van het stadium waarin het conflict tussen leiding en medewerkers zich inmiddels bevindt, namelijk (op de laatste trede) in de emotionele fase van de escalatieladder van Glasl, met een serieus risico op afglijden naar de vechtfase. De emoties hebben de overhand op een goede en respectvolle samenwerking. Het besef zal moeten terugkeren dat de individuele clusterleden met elkaar verbonden zijn door een gezamenlijk ervaren taak en leider. Alle medewerkers moeten weer helder op het netvlies krijgen, dat ze elkaar nodig hebben om goede zorg verlenen. Onderlinge afstemming is daarbij cruciaal: daarvoor is echt contact nodig. Respectvolle omgang en het vermogen om naar elkaar te luisteren is daarbij van levensbelang. De clustermanager heeft een doorslaggevende rol, hij is verantwoordelijk voor het faciliteren van het groepsproces, gelijkwaardig als groepslid, maar wel in een ongelijke positie. Het is natuurlijk dat het cluster als groep de grenzen aftast, vooral die van de leidinggevende clustermanager. De clustermanager moet daarbij de grenzen bewaken, want niet bewaakte grenzen worden op enig moment overschreden en tasten zijn positie, basisvoorwaarde, voor het voortbestaan van de groep aan. Ook al zijn die spanningen(en bijbehorende weerstand) tot op zekere hoogte onderdeel van een normaal groepsproces, in dit cluster lijkt de voor het verloop van een normaal groepsproces noodzakelijke veilige omgeving zo zeer aangetast dat het cluster zijn taak niet meer naar behoren kan uitvoeren en zijn doelen slechts moeilijk kan realiseren.”
Op 21 maart 2024 heeft de RvB in een brief aan de klagers meegedeeld dat zij het advies van de Klachtencommissie om de klacht ongegrond te verklaren overneemt. In die brief staat ook: “Het advies om externe hulp in te schakelen gericht op het normaliseren van de verhoudingen, wenst de raad van bestuur eveneens over te nemen. De raad van bestuur verbindt echter een voorwaarde aan dit traject, namelijk dat alle klagers een verklaring ondertekenen met voorwaarden die betrekking hebben op een professionele werkhouding. Alleen als deze voorwaarden worden opgevolgd, is er kans op een succesvol traject. Voor alle duidelijkheid wordt hier nogmaals opgemerkt dat dit traject is bedoeld voor het normaliseren van de ontstane verstoorde werkrelatie. De wijze van communiceren van de clustermanagers of hun positie zal geen onderdeel van het traject zijn.”
Bij de brief van de RvB van 21 maart 2024 is een te ondertekenen verklaring gevoegd, waarin staat dat de klager onder meer verklaart dat hij/zij loyaal meewerkt aan het ingezette veranderproces binnen de locatie [A.] , en besluiten en aanwijzingen van leidinggevenden en gedragsdeskundigen opvolgt. Onder de door de klagers te plaatsen handtekening staat: “Uiteraard mag je ervan uitgaan dat Esdégé-Reigersdaal als een verantwoordelijk en goed werkgever blijft optreden. Alle betrokken leidinggevenden zullen dan ook conform bovenstaande afspraken, zover van toepassing, handelen.” Onder de brief staat een handtekening van [toenmalige voorzitter RvB] namens de betrokken leidinggevenden.
De klagers, onder wie de werknemers, hebben in reactie op de brief van de RvB van 21 maart 2024 in een schriftelijke verklaring laten weten dat zij niet akkoord kunnen gaan met de voorwaarde van ondertekening van de daarin genoemde verklaring, omdat deze verklaring alleen geldt voor de klagers en niet voor het hele team, en de voorwaarde niet is vermeld in het advies van de Klachtencommissie. Verder hebben de klagers opgemerkt dat het veranderproces kennelijk niet bedoeld is voor de wijze van communiceren van de clustermanagers, terwijl zij daar juist tegenaan lopen, en dat zij er wel voor openstaan om met externe hulp stappen te ondernemen gericht op het normaliseren van de onderlinge verhoudingen.
In een brief van 28 maart 2024 heeft de RvB geantwoord dat er gelet op de weigering van de klagers om de gevraagde verklaring te ondertekenen geen traject met externe hulp gestart kan worden en dat de RvB zich zal beraden over de te nemen vervolgstappen. In deze brief staat ook dat de klagers de focus willen leggen op de gedragingen van de clustermanagers, maar dat dit niet de conclusie is van de Klachtencommissie en dat de focus moet liggen op de professionele houding en gedragingen van de begeleiding. De RvB merkt op dat de klacht over het functioneren en de wijze van communiceren door de clustermanagers ongegrond is verklaard door de Klachtencommissie en daarmee een gepasseerd station.
In brieven en e-mails van 10 april 2024 heeft de RvB aan de werknemers medegedeeld dat zij per direct niet langer werkzaam zijn bij de locatie [A.] en worden overgeplaatst naar andere locaties. Daarbij is opgemerkt dat Esdégé-Reigersdaal gebruik maakt van het hiervoor genoemde artikel 2 van de arbeidsovereenkomst en dringende redenen ziet die overplaatsing noodzakelijk maken, omdat het normaliseren van de verhoudingen en het verbeteren van de professionele houding van de betrokken begeleiders kennelijk niet op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Daarbij is ook verwezen naar de brief van 28 maart 2024 en vermeld dat als dringende redenen voor overplaatsing worden aangemerkt het ernstige tekortschieten in het leveren van kwalitatief en bedrijfsmatig verantwoorde zorg aan de cliënten van [A.] , het ontbreken van vertrouwen in de leidinggevenden en de weigerachtige houding om hierin positieve stappen vooruit te zetten.
Op 18 april 2024 heeft de RvB een bericht geplaatst op het interne communicatieplatform Sternet. Daarin wordt verwezen naar een artikel in het Noord-Hollands Dagblad. Het artikel heeft als kop: “Onrust, ontslag en overplaatsingen: bestuur zorglocatie [A.] op ramkoers. Begeleiders vrezen voor welzijn cliënten.” In het artikel staat onder meer het volgende: “Er is langdurig sprake geweest van onprofessioneel gedrag van medewerkers, tussen medewerkers en gebrek aan vertrouwen in de leiding, niet nakomen van afspraken en een zorgelijke situatie.”
De werknemers hebben Esdégé-Reigersdaal gedagvaard in kort geding en onder andere gevorderd dat de overplaatsingen ongedaan worden gemaakt. De kantonrechter heeft de vorderingen van de werknemers in een vonnis van 29 juli 2024 afgewezen.
3 Het geschil
De werknemers vorderen – samengevat – een verklaring voor recht dat het overplaatsingsbesluit en de berichtgeving van Esdégé-Reigersdaal op Sternet over de werknemers onrechtmatig zijn, en dat Esdégé-Reigersdaal wordt veroordeeld tot het ongedaan maken van de overplaatsingen met gelegenheid tot terugkeer naar de locatie [A.] en het zuiveren van de slechte naam die de werknemers door toedoen van Esdégé-Reigersdaal hebben gekregen. De werknemers leggen aan de vordering ten grondslag – samengevat – dat het overplaatsingsbesluit van 10 april 2024 op onjuiste gronden berust, omdat Esdégé-Reigersdaal onzorgvuldig heeft gehandeld door bij de klachtbehandeling de eigen procedureregels niet in acht te nemen, door de zorgen van de werknemers over intimidatie niet serieus te nemen, door een patroon van intimidatie en een afrekencultuur te laten ontstaan, en omdat Esdégé-Reigersdaal geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt alvorens tot overplaatsing te besluiten.
Esdégé-Reigersdaal voert gemotiveerd verweer. Esdégé-Reigersdaal voert aan – kort weergegeven – dat twee werknemers niet-ontvankelijk zijn in hun vordering en dat de vorderingen van de andere werknemers moeten worden afgewezen, omdat op goede gronden is besloten tot overplaatsing en artikel 2 van de arbeidsovereenkomst daarvoor een basis biedt.
4 De beoordeling
ontvankelijkheid werknemers
Ten aanzien van de vorderingen van de werknemers [eiser sub 1] en [eiser sub 6] stelt Esdégé-Reigersdaal dat zij niet-ontvankelijk zijn wegens het ontbreken van een belang, omdat deze werknemers vóór het besluit tot overplaatsing al hebben aangegeven elders te willen werken. De kantonrechter gaat aan dit verweer voorbij, aangezien [eiser sub 1] en [eiser sub 6] op het moment van het besluit tot overplaatsing formeel nog werkzaam waren bij de locatie [A.] . Daarmee is het belang van hun vorderingen gegeven. De werknemers zijn dan ook ontvankelijk in hun vorderingen.
overplaatsing was toegestaan
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Esdégé-Reigersdaal op goede gronden heeft besloten tot overplaatsing van de werknemers van de locatie [A.] naar verschillende andere locaties.
De kantonrechter is van oordeel dat Esdégé-Reigersdaal mocht overgaan tot overplaatsing. Dat oordeel wordt hierna toegelicht en uitgelegd.
de locatie [A.] is een arbeidsvoorwaarde
Vast staat dat de locatie [A.] tot 10 april 2024 de standplaats en vaste, structurele arbeidsplaats was van de werknemers. Gelet op de aard, duur en inhoud daarvan is deze standplaats een arbeidsvoorwaarde. Voor zover Esdégé-Reigersdaal aanvoert dat zij deze standplaats en arbeidsvoorwaarde mocht wijzigen op grond van het zogeheten instructierecht van de werkgever, wordt zij daarin dus niet gevolgd.
overplaatsing alleen mogelijk om dringende redenen en wegens een zwaarwichtig belang
In artikel 2 van de arbeidsovereenkomsten met de werknemers heeft Esdégé-Reigersdaal zich het recht voorbehouden om, indien dringende redenen dit noodzakelijk maken, de werknemers over te plaatsen naar een andere locatie van Esdégé-Reigersdaal. Deze bepaling is aan te merken als een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Om zo’n beding te kunnen toepassen moet de werkgever een zodanig zwaarwichtig belang hebben bij de wijziging dat het belang van de werknemer daarvoor moet wijken.
de problemen bij de locatie [A.] bestaan al lange tijd
Het door Esdégé-Reigersdaal genomen overplaatsingsbesluit kent een lange voorgeschiedenis. In april 2019 heeft de (interne) afdeling Arbo en Gezondheid diverse problemen gesignaleerd bij de locatie [A.] en vijftien verbetervoorstellen gedaan. De in mei 2019 aangestelde nieuwe clustermanager kreeg de opdracht om deze vijftien aanbevelingen te implementeren. Mede door de verhuizing van de locatie [A.] in de zomer van 2019 en de daarop volgende coronacrisis zijn veel verbetervoorstellen niet of onvoldoende doorgevoerd. Ook een teamtrainingsproject door extern coaching bureau Firijn in de tweede helft van 2022 heeft de problemen niet opgelost en begin 2023 is de nieuwe clustermanager ziek uitgevallen. In juni 2023 is een traject gestart met het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE), maar dit traject is (vroegtijdig) beëindigd, waarna de clustermanagers vanaf december 2023 ook zijn ondersteund door een externe veranderexpert.
de problemen bij de locatie [A.] in de periode 2023-2024
In een e-mail van 13 november 2023 heeft [toenmalige voorzitter RvB] aan het team van [A.] duidelijk gemaakt dat met de komst van een aantal nieuwe clustermanagers gewerkt moet gaan worden aan een gezonde toekomst voor [A.] . [toenmalige voorzitter RvB] schrijft dat de situatie ten aanzien van zorginhoud, professionaliteit, collegiale samenwerking, administratieve organisatie, ziekteverzuim en financieel (ver) onder de maat is. [toenmalige voorzitter RvB] merkt op dat het verandertraject geen vrije keuze meer is en dat iedereen daaraan moet meewerken. In een teamoverleg op 27 november 2023 zijn de plannen toegelicht en heeft [toenmalige voorzitter RvB] meegedeeld dat er individuele gesprekken met de clustermanagers zouden volgen, waarbij van de medewerkers verwacht zou worden dat zij hun commitment uitspreken. Deze gesprekken waren in december 2023.
Vervolgens hebben 21 medewerkers in een brief van 21 januari 2024 aan de RvB zorgen geuit over een onveilige sfeer bij [A.] . Daarover is gesproken in een teamvergadering op 29 januari 2024, maar dit heeft die zorgen niet kunnen wegnemen. Op 6 februari 2024 hebben 20 (van de 29) medewerkers van de locatie [A.] een klacht ingediend bij de Klachtencommissie tegen [toenmalige voorzitter RvB] als voorzitter van de RvB en tegen twee clustermanagers. Deze klacht ziet op een gestelde onveilige werkomgeving, misbruik van machtspositie, pestgedrag, gebrek aan samenwerking, het ontbreken van transparantie en vertrouwen, ongelijke behandeling en gebrek aan informatie. De Klachtencommissie heeft de genoemde klacht uitvoerig besproken in het hiervoor geciteerde advies van 12 maart 2024 en geadviseerd tot ongegrondverklaring van de klacht, met de toevoeging dat snel met externe hulp stappen moeten worden ondernemen gericht op het normaliseren van de verhoudingen.
het overplaatsingsbesluit
Het overplaatsingsbesluit is genomen na het advies van de Klachtencommissie, dat door Esdégé-Reigersdaal is overgenomen, en na de weigering van de werknemers om bij de brief van de RvB van 21 maart 2024 gevoegde verklaring te ondertekenen.
de formele bezwaren tegen het advies van de Klachtencommissie treffen geen doel
De werknemers voeren aan dat Esdégé-Reigersdaal het advies van de Klachtencommissie niet ten grondslag mocht leggen aan de overplaatsing, omdat de Klachtencommissie onbevoegd was en Esdégé-Reigersdaal fundamentele procedurele fouten heeft gemaakt.
Volgens de werknemers was sprake van een collectieve klacht, en niet van individuele klachten, en is de Klachtencommissie op grond van artikel 10.1 van het Reglement Klachtrecht Medewerkers (hierna: het Reglement) niet bevoegd om op een collectieve klacht van de werknemers te beslissen. Verder stellen de werknemers dat de RvB na het advies van de Klachtencommissie zelf daarover een besluit heeft genomen, maar dat de klacht was gericht tegen de RvB, zodat op grond van artikel 13.1 van het Reglement alleen de Raad van Toezicht bevoegd was om een besluit te nemen.
De kantonrechter overweegt dat de klacht van de werknemers bij de Klachtencommissie inderdaad collectieve aspecten heeft, maar dat het ook ging om door iedere werknemer individueel geuite en ervaren klachten. Dat blijkt ook uit het feit dat klacht van de werknemers nader is toegelicht in een e-mailbericht van 26 februari 2024, waarin als bijlagen twaalf afzonderlijke individuele klachten van de werknemers zijn vermeld. Verder staat vast dat tijdens de behandeling van de klacht bij de Klachtencommissie het collectieve en individuele karakter daarvan is besproken en de werknemers zich toen niet hebben verzet tegen de behandeling van de klacht. Daarbij komt dat de werknemers een inhoudelijk oordeel van de Klachtencommissie hebben gevraagd en de Klachtencommissie uitgebreid is ingegaan op de klachten van de werknemers, en de werknemers in feite de conclusies en bevindingen van de Klachtencommissie niet wezenlijk betwisten. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de Klachtencommissie onbevoegd was om over de klachten van de werknemers een advies te geven en is er ook geen aanleiding om dat advies buiten beschouwing te laten bij de boordeling van de zaak.
Ook de stelling van de werknemers dat de RvB niet bevoegd was om een besluit te nemen op het advies van de Klachtencommissie volgt de kantonrechter niet. Het is juist dat uit artikel 13.1 van het Reglement volgt dat alleen de Raad van Toezicht bevoegd is om een besluit te nemen, als een klacht is gericht tegen de RvB. Maar in dit geval was geen sprake van een klacht gericht tegen de voltallige RvB, maar was de klacht gericht tegen één lid van de RvB en twee clustermanagers. In zo’n geval mag de RvB een besluit nemen over het advies van de Klachtencommissie.
er is geen onjuiste interpretatie of afwijking van het advies van de Klachtencommissie
De werknemers voeren aan dat Esdégé-Reigersdaal het advies van de Klachtencommissie onjuist heeft geïnterpreteerd, omdat de Klachtencommissie niet als advies heeft gegeven dat de werknemers de bij de brief van de RvB van 21 maart 2024 gevoegde verklaring moesten ondertekenen.
De kantonrechter overweegt dat de RvB en Esdégé-Reigersdaal het advies van de Klachtencommissie hebben overgenomen en gevolgd, en daarvan niet is afgeweken. Het is juist dat de Klachtencommissie niet met zoveel woorden heeft geadviseerd dat de werknemers een verklaring moesten ondertekenen zoals vermeld in de brief van de RvB van 21 maart 2024, inhoudende dat de werknemers onder meer verklaren dat zij loyaal meewerken aan het ingezette veranderproces binnen de locatie [A.] , en besluiten en aanwijzingen van leidinggevenden en gedragsdeskundigen opvolgen. Maar de Klachtencommissie heeft in het advies wel opgemerkt: “Het is duidelijk dat verbeteringen dringend en voortvarend nodig zijn. Het past om van de medewerkers commitment te vragen bij het realiseren van die verbeteringen in het cluster”. Gelet op deze opmerkingen en de aard en ernst van de problemen bij de locatie [A.] , is het verzoek van de RvB en Esdégé-Reigersdaal aan de werknemers om de genoemde verklaring te ondertekenen in lijn met het advies van de Klachtencommissie en geen afwijking daarvan.
Esdégé-Reigersdaal mocht ook in redelijkheid ondertekening van de verklaring vragen
Naar het oordeel van de kantonrechter mocht Esdégé-Reigersdaal ook in redelijkheid van de werknemers verlangen om de verklaring ondertekenen, zoals vermeld in de brief van de RvB van 21 maart 2024, en van de werknemers verlangen dat zij verklaarden dat zij loyaal mee zouden werken aan het ingezette veranderproces binnen de locatie [A.] en besluiten en aanwijzingen van leidinggevenden en gedragsdeskundigen zouden volgen.
Vast staat immers dat binnen de locatie [A.] sprake was van ernstige en hardnekkige problemen tussen enerzijds de werknemers en anderzijds de leiding, clustermanagers en de RvB. Op de zitting is ook erkend dat deze problemen zich voordeden. Anders dan de werknemers stellen, waren deze problemen niet van recente datum, maar speelden deze al veel langer, zoals hiervoor is overwogen. Ook is voldoende gebleken dat verschillende middelen zijn ingezet om de problemen op te lossen, maar dat het niet gelukt is die problemen op te lossen. Onder die omstandigheden kan en mag Esdégé-Reigersdaal van haar werknemers verlangen een verklaring te ondertekenen waaruit hun commitment blijkt om mee te werken aan het door de Klachtencommissie geadviseerde traject en veranderproces. De kantonrechter kan Esdégé-Reigersdaal dan ook volgen dat ondertekening van deze verklaring, gelet op de situatie bij [A.] op dat moment en de ontwikkelingen die daaraan vooraf waren gegaan, noodzakelijk was om het traject en veranderproces te starten.
De stelling van de werknemers dat ondertekening van de verklaring niet van hen kon worden gevergd, omdat alleen van de werknemers een commitment werd verwacht en niet van de clustermanagers, gaat niet op. In de door de RvB opgestelde verklaring staat nadrukkelijk dat ook alle leidinggevenden conform de in de verklaring genoemde afspraken zullen handelen, waaronder het loyaal meewerken aan het veranderproces, en dat de RvB de verklaring mede heeft ondertekend namens de leidinggevenden. Dat ziet uiteraard ook op de door de werknemers genoemde clustermanagers. De werknemers hadden dus direct kunnen lezen en moeten begrijpen dat het commitment dat van hen werd verlangd al was uitgesproken en ondertekend door de RvB, alle leidinggevenden en de clustermanagers.
De vrees van de werknemers dat Esdégé-Reigersdaal ondertekening van de verklaring zou kunnen gebruiken als ‘stok om mee te slaan’, kan de kantonrechter evenmin volgen. De verklaring heeft tot doel dat de werknemers zich committeren aan het geadviseerde traject en vraagt om bereidheid van de werknemers tot meewerking. Dat doel is redelijk en Esdégé-Reigersdaal had voldoende aanleiding dit doel na te streven, zoals hiervoor is overwogen. Overigens is ook onvoldoende duidelijk wat de werknemers bedoelen met hun stelling dat ondertekening van de verklaring zou kunnen worden gebruikt als ‘stok om mee te slaan’ en waarom dit in de weg zou staan aan ondertekening daarvan.
De werknemers hebben ook gesteld dat ondertekening van de verklaring niet kon worden gevergd, omdat de RvB in de brief van 21 maart 2024 heeft opgemerkt dat de wijze van communiceren van de clustermanagers of hun positie geen onderdeel van het traject meer kon zijn, terwijl dit nu juist voor de werknemers de kern van de klachten betreft. Ook dit is geen steekhoudend argument om niet over te gaan tot ondertekening van de verklaring. De werknemers hadden zo nodig bij ondertekening van de verklaring kunnen opmerken of toevoegen dat zij tegen dit onderdeel bezwaren hadden of om een aanpassing van de verklaring kunnen vragen. Dat hebben zij niet gedaan. Verder had voor de werknemers duidelijk kunnen zijn dat de opmerking van de RvB moest worden gezien in de context van het advies van de Klachtencommissie, waarin de klachten jegens [toenmalige voorzitter RvB] en de clustermanagers over een onveilige werkomgeving, misbruik van machtspositie, pestgedrag, gebrek aan vertrouwen en ongelijke behandeling gemotiveerd en onderbouwd ongegrond zijn verklaard. Die discussie wilde de RvB niet opnieuw aangaan en dat valt te begrijpen.
Esdégé-Reigersdaal had dringende en zwaarwichtige redenen voor overplaatsing
De kantonrechter is, mede gelet op het voorgaande, van oordeel dat Esdégé-Reigersdaal dringende en zwaarwegende redenen had om de werknemers over te plaatsen. Daarbij is van belang dat voldoende vast staat dat binnen de locatie [A.] sprake was van ernstige en hardnekkige problemen in de samenwerking tussen de werknemers enerzijds en de leidinggevenden en RvB anderzijds, dat die problemen ondanks inzet van verschillende middelen niet konden worden opgelost, en dat de werknemers zonder goede gronden hebben geweigerd de verklaring te ondertekenen waarin zij zich committeerden aan een veranderproces.
Esdégé-Reigersdaal mocht aan haar besluit tot overplaatsing het advies van de Klachtencommissie ten grondslag leggen, zoals hiervoor al is overwogen, en ook op basis van dat advies was duidelijk dat bij de locatie [A.] sprake was van ernstige en hardnekkige problemen. Op de zitting zijn die problemen ook erkend door de werknemers.
Het belang van Esdégé-Reigersdaal bij overplaatsing is gezien de ernst van de situatie voldoende zwaarwichtig om daarvoor het belang van de werknemers bij behoud van hun standplaats te laten wijken. Uit de stukken blijkt immers dat niet alleen sprake was van problemen in de samenwerking tussen de werknemers en de leidinggevenden, maar ook op het gebied van zorginhoud, professionaliteit, collegiale samenwerking, administratieve organisatie, ziekteverzuim en financiën. Die problemen deden zich al vijf jaar voor.
Verder heeft de Klachtencommissie geconstateerd dat sprake is van een verontrustend ontwrichte werksituatie, dat de verhouding tussen klagers enerzijds en de RvB en de leidinggevenden anderzijds welhaast vijandig was te noemen, dat de communicatie ernstig is verstoord door massief onderling wantrouwen, ook richting gedragsdeskundigen en de clustermanagers, en dat de medewerkers onvoldoende besef hadden van de ernst en urgentie van de situatie. Voor het realiseren van de noodzakelijke verbeteringen bij de locatie [A.] was daarom vereist dat de onderlinge verhoudingen tussen de werknemers, de leidinggevenden en de RvB zouden normaliseren. Daarbij past om van de werknemers commitment te vragen bij het realiseren van die verbeteringen en daar waar de werknemers dat weigerden, is er geen reële verwachting meer dat verbeteringen te realiseren zijn met de betreffende werknemers. Ook gelet daarop waren er voor Esdégé-Reigersdaal dringende en zwaarwegende redenen om de werknemers over te plaatsen, met toepassing van artikel 2 van de arbeidsovereenkomst.
Verder weegt voor de kantonrechter mee dat de werknemers na overplaatsing hun werkzaamheden op een andere werkplek en hun salaris hebben behouden. Niet betwist is dat Esdégé-Reigersdaal per individuele werknemer heeft gekeken naar een passende alternatieve werkplek, gelet op functie, competenties en reistijd. De werknemers hebben onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd waarom, uitgaande van een terechte overplaatsing, hun alternatieve werkplek onvoldoende recht doet aan hun belangen. Bovendien heeft Esdégé-Reigersdaal op de zitting nadrukkelijk verklaard dat zij bereid is met individuele werknemers het gesprek aan te gaan en zij open staat voor de wensen van die werknemers om op een andere alternatieve locatie werkzaam te zijn, uiteraard behoudens de locatie [A.] .
De kantonrechter merkt nog op dat uit de stukken en het advies van de Klachtencommissie ook het beeld naar voren komt dat er bij bepaalde onderwerpen de nodige kritische kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de werkwijze en aanpak door Esdégé-Reigersdaal van de klachten van de werknemers. Maar uit de stukken en dat advies blijkt niet dat Esdégé-Reigersdaal haar zorgplicht als werkgever dusdanig heeft geschonden dat dit in de weg staat aan het besluit tot overplaatsing. De juistheid van de verwijten ten aanzien van onder meer intimidatie, een onveilige werkomgeving, misbruik van machtspositie en pestgedrag is ook niet, althans onvoldoende gebleken. In de stukken zijn onvoldoende aanknopingspunten te vinden en zijn onvoldoende concrete voorbeelden gegeven om te kunnen oordelen dat Esdégé-Reigersdaal zich daaraan schuldig heeft gemaakt.
de conclusie
De conclusie van het voorgaande is dat Esdégé-Reigersdaal met een beroep op het eenzijdig wijzigingsbeding de werknemers mocht overplaatsen. Esdégé-Reigersdaal heeft daarom ook niet gehandeld in strijd met de beginselen van goed werkgeverschap of de redelijkheid en billijkheid. De gevorderde verklaring voor recht dat het overplaatsingsbesluit onrechtmatig is en de vordering tot het ongedaan maken van de overplaatsingen met gelegenheid tot terugkeer naar de locatie [A.] worden dus afgewezen.
de vordering over het zuiveren van de slechte naam moet worden afgewezen
De werknemers vorderen een verklaring voor recht dat de berichtgeving van Esdégé-Reigersdaal op Sternet over de werknemers onrechtmatig is en dat Esdégé-Reigersdaal wordt veroordeeld tot het zuiveren van de slechte naam die de werknemers door toedoen van Esdégé-Reigersdaal hebben gekregen.
De kantonrechter wijst deze vordering af. Uit het voorgaande volgt dat de genoemde berichtgeving van Esdégé-Reigersdaal niet onrechtmatig is. Voor zover de werknemers erop doelen dat Esdégé-Reigersdaal heeft verwezen naar een krantenartikel waarin melding wordt gemaakt van ‘onprofessioneel gedrag van medewerkers’, merkt de kantonrechter op dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom die verwijzing onrechtmatig is, temeer omdat sprake is van een interne berichtgeving en het krantenartikel niet afkomstig is van Esdégé-Reigersdaal zelf. Datzelfde geldt voor de vordering met betrekking tot het zuiveren van de slechte naam, waarvoor bovendien geldt dat die vordering niet duidelijk is en onvoldoende concreet om te kunnen worden toegewezen.
de werknemers moeten de proceskosten betalen
De werknemers moeten de proceskosten van Esdégé-Reigersdaal betalen, omdat zij ongelijk krijgen. Die proceskosten worden bepaald op € 678,00.