Personen- en familierecht

nihilstelling cq vermindering van partnerbijdrage: van man, 56 jr, is eind 2013 , na lang dienstverband…

Rechtbank Noord-Holland, 3 december 2014

Zaakgegevens

Op 3 december 2014 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
3 december 2014
Datum publicatie
4 december 2014
Zaaknummer
C/15/209829 / FA RK 13-4522
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2014:11483
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

nihilstelling cq vermindering van partnerbijdrage:

van man, 56 jr, is eind 2013 , na lang dienstverband, arbeidsovk beëindigd. Man heeft ontbindingsvergoeding gekregen, € 350.000, in stamrechtbv gestort. Heeft hangende WW-uitkering toestemming gekregen onderneming op te zetten, hierin geïnvesteerd onder andere vanuit Stamrechtbv, externa financiering niet haalbaar. Volgens vrouw had man vergoeding moeten aanwenden om WW-uitkering aan te vullen en zou hij, tegen einde WW-uitkering, wel ander werk hebben gevonden. Rb concludeert dat in het onderhavige geval niet kan worden gesteld dat de man zich, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, zich in redelijkheid had behoren te onthouden van het investeren van zijn ontslagvergoeding in zijn bedrijf. in dit geval sprake is (geweest) van een handelwijze van de man die aansluit bij het karakter van de ontbindingsvergoeding, namelijk opvang van inkomensschade uit ontslag.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/15/209829 / FA RK 13-4522

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 3 december 2014

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.P. Hoyng, kantoorhoudende te Haarlem,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.J.F. Manders, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 20 december 2013, ingekomen op diezelfde datum;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw van 25 februari 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 22 oktober 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 27 oktober 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 27 oktober 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 30 oktober 2014;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 6 november 2014.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 november 2014 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. B.G. Baljet, kantoorgenoot van mr. P. Hoyng, en de vrouw bijgestaan door mr. A.J.F. Manders.

1.3

Na de mondelinge behandeling heeft de vrouw op verzoek van de rechtbank nog nadere stukken in het geding gebracht.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 3 maart 2010 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 12 januari 2010.

2.2

Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat het echtscheidingsconvenant dat partijen hebben gesloten, deel uitmaakt van de beschikking. In het convenant is een regeling voor een partnerbijdrage opgenomen. Voor zover van belang houdt de afspraak in dat de man met ingang van 1 november 2009 € 2.000 per maand aan de vrouw zal betalen.

2.3

Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de partnerbijdrage met ingang van 1 januari 2013 € 2.078 per maand.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht de beschikking en het erin opgenomen convenant te wijzigen in die zin, dat de partnerbijdrage wordt bepaald op nihil met ingang van 1 januari 2014.

Hij stelt hiertoe dat de beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven.

Ter toelichting van zijn verzoek heeft de man aangevoerd dat hij met ingang van 1 januari 2014 werkloos is. Zijn arbeidsovereenkomst met KPN, de onderneming waar hij vanaf

17 mei 1999 werkzaam was, is per 31 december 2013 beëindigd. De man heeft een ontbindingsvergoeding van € 350.000 ontvangen en dit bedrag gestort in een zogenoemde Stamrecht BV, genaamd: RvD B.V., hierna te noemen: de Stamrecht BV. Met ingang van

3 maart 2014 is hij aangewezen op een WW-uitkering. De eerste twee maanden ontvangt de man 75% van het wettelijk maximum dagloon, daarna 70%. Zijn uitkering bedraagt aldus vanaf mei € 2.965 per maand. In het inleidend verzoekschrift heeft de man berekend dat van de beëindigingsvergoeding in de periode 1 januari 2014 tot 1 mei 2025 jaarlijks € 32.677 aan hem kan worden uitgekeerd, per maand € 2.723,80 bruto. Volgens de man is er, nadat alle vaste lasten zijn betaald, geen draagkracht meer om aan de vrouw een partnerbijdrage te betalen.

3.2

In het kader van de mondelinge behandeling ter zitting heeft de man uiteengezet dat hij nu 56 jaar is en geprobeerd heeft om een andere baan te vinden. Volgens de man zijn er veel zzp’ers die als consultant staan ingeschreven maar feitelijk geen werk hebben en heeft hij besloten de afkoopsom te investeren in een bedrijf. De man stelt dat dit voor hem de enige mogelijkheid is om op langere termijn inkomen te genereren. Inmiddels zijn de plannen voor zijn bedrijf in een vergevorderd stadium en heeft hij van het UWV toestemming gekregen om te starten met behoud van zijn WW-uitkering. De man heeft een ondernemingsplan voor zijn bedrijf, Gladderr genaamd, ter zitting laten zien. Volgens zijn begroting zal de onderneming de eerste twee jaren, 2014 en 2015, een negatief netto resultaat laten zien doch in 2016 mogelijk reeds een netto resultaat van € 112.358. Om de (aanloopkosten van de) onderneming te financieren, heeft de man een deel van zijn ontslagvergoeding gebruikt. Hij heeft een specificatie overgelegd van de besteding van de afkoopsom. Naast de aanloopkosten heeft de man ook het vermogen in de Stamrecht BV moeten aanspreken om te voldoen aan zijn onderhoudsverplichtingen jegens de vrouw en twee kinderen uit een eerder huwelijk, aangezien zijn WW-uitkering hiervoor ontoereikend is. De man heeft aangevoerd dat hij, nu het bedrag reeds aanzienlijk geslonken is, gebruik zal maken van de fiscaal gunstige mogelijkheid om het stamrecht in 2014 op te nemen. Bij opname of afkoop in 2014 wordt, op voorwaarde dat het gehele bedrag wordt opgenomen, slechts 80% van het uit te keren bedrag belast.

Desgevraagd heeft de man ter zitting uiteengezet dat het voor hem niet mogelijk was om externe financiering voor zijn onderneming te verkrijgen. Banken zijn, sedert de crisis, niet meer bereid te financieren als daar geen extra zekerheid tegenover staat, aldus de man. Hij heeft slechts een (kleine) lening van de bank gekregen door vermogen dat hij in zijn spaarhypotheek heeft opgebouwd, als onderpand te gebruiken. Meer zekerheid heeft hij niet. De fiscus controleert, aldus de man, streng of opgenomen gelden zakelijk zijn besteed en legt boetes op als dit niet het geval is geweest. Hierdoor is het voor de man niet mogelijk om de Stamrecht BV te gebruiken om privéleningen te financieren.

3.3

Met een beroep op de verdiencapaciteit van de vrouw heeft de man zich voorts op het standpunt gesteld dat de vrouw aan een (aanvullende) partnerbijdrage geen behoefte meer heeft. Hij heeft erop gewezen dat de vrouw ten tijde van de vaststelling van de partnerbijdrage geen inkomsten uit arbeid had en dat in het echtscheidingsconvenant een regeling is opgenomen dat de vrouw de man na afloop van elk kalenderjaar zal informeren over de hoogte van haar inkomsten, opdat berekend kan worden of de vrouw over het betreffende jaar te veel dan wel te weinig alimentatie heeft ontvangen. De vrouw heeft sinds 1 december 2009 een baan doch heeft hem niet over haar inkomsten hieruit geïnformeerd. Volgens de man kan de vrouw een inkomen verwerven van € 2.300 netto per maand.

3.4

Ter zitting heeft de man de grondslag van zijn verzoek aangevuld en, met een beroep op het bepaalde in art. 1:160 BW, aangevoerd dat zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw geëindigd is, aangezien zij met haar partner is gaan samenwonen. De man heeft gewezen op de vermelding op een door de vrouw overgelegde aangifte Inkomstenbelasting 2013 dat zij ‘samenwonend’ is.

4 Verweer

4.1

Het betoog van de man dat zij zou samenwonen, is door de vrouw gemotiveerd weersproken. Zij heeft ter zitting toegelicht dat sprake is geweest van een misverstand tussen haar en de belastingadviseur, dat inmiddels richting de fiscus is gecorrigeerd. Zij heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat de aangifte inmiddels bij de fiscus is gecorrigeerd. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft zij de gecorrigeerde aangifte overgelegd en een verklaring van de belastingadviseur over de achtergrond van de fout in de oorspronkelijke aangifte.

4.2

De vrouw erkent dat het feit dat de man werkloos is geworden een omstandigheid is die tot herbeoordeling van zijn onderhoudsverplichting noopt. Zij stelt zich evenwel op het standpunt dat voornoemde omstandigheid geen wijziging aan de zijde van de man vormt die tot de door de man verzochte aanpassing van de partnerbijdrage moet leiden. Volgens de vrouw is van voor herstel vatbaar inkomensverlies sprake en kan de man geacht worden met de beëindigingsvergoeding zijn WW-uitkering nog enige tijd aan te vullen tot het niveau van zijn oude salaris. Zij acht de kans groot dat de man, vóór de datum waarop de WW-uitkering stopt, weer een functie op zijn oude niveau zal vinden.
Naar aanleiding van de ter zitting naar voren gebrachte informatie van de man over zijn plannen om een onderneming te starten, heeft de vrouw primair verklaard dat zij er in beginsel geen bezwaar tegen heeft dat de man een eigen onderneming is gestart, maar dat zij van mening is dat de man de financiële noodzaak om zijn gehele vermogen te investeren in de start van een eigen onderneming en om het stamrecht af te kopen onvoldoende deugdelijk heeft onderbouwd. Met name betwist de vrouw dat hij de start van de onderneming niet met externe middelen kon financieren, gelet op het feit dat de man, volgens zijn prognose, in 2016 weer over substantieel inkomen zal beschikken. Zij stelt zich op het standpunt dat onderzoek door een deskundige, een accountant, naar de onttrekkingen uit de Stamrecht B.V noodzakelijk is en dat het op de weg van de man lag om met een accountantsverklaring te onderbouwen dat externe financiering niet haalbaar is.

Zij voert aan dat de man, wanneer hij zijn stamrecht niet geheel benut ten behoeve van het bedrijf, de tussenliggende periode zou kunnen overbruggen door in te teren op zijn vermogen en middelen uit de onderneming te onttrekken in een rekening-courantverhouding. Aldus zou er geld resteren om aan zijn alimentatieverplichting te voldoen.

4.2

De vrouw heeft voorts gemotiveerd betwist dat zij aan een door de man te betalen (aanvullende) partnerbijdrage geen behoefte meer zou hebben. Omdat in het kader van de echtscheidingsprocedure de behoefte van de vrouw niet is bepaald, heeft de vrouw deze alsnog begroot, op € 2.946 netto per maand in 2013. Zij heeft aangevoerd dat zij een Mavo opleiding heeft en nu werkzaam is bij Ikea. Op maandbasis is haar salaris € 1.098. De vrouw begroot haar restbehoefte in 2013 op € 1.848 netto per maand. Voor het huwelijk van partijen werkte zij in een kledingzaak, tijdens het huwelijk als kantinemedewerkster in een manege. De vrouw stelt dat zij nooit meer uren heeft gewerkt dan zij nu doet, 20 uur, en betwist dat haar verdiencapaciteit € 2.300 netto per maand zou zijn. Op dit moment is, aldus de vrouw, haar inkomen het maximaal haalbare, enerzijds omdat er bij haar werkgever geen uitbreiding van uren inzit en anderzijds omdat zij een fysieke beperking ervaart in een uitbreiding van haar werkzaamheden.

5 Beoordeling

5.1

Ingevolge artikel 1:160 BW, voorzover hier van belang, eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze wederpartij is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. Als criteria voor het samenleven als waren zij gehuwd gelden de duurzaamheid van de samenleving, het leven in gezinsverband en het vormen van een economische eenheid.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat de vermelding in haar aangifte IB 2013 van haar persoonlijke situatie als “samenwonend” berustte op een vergissing en dat van een situatie van samenleven als ware zij gehuwd geen sprake is (geweest). De rechtbank concludeert dan ook dat er geen aanwijzingen zijn dat de vrouw samenwoont met een partner als bedoeld in artikel 1:160 BW. Voor zover het verzoek van de man op dit artikel berust, zal het worden afgewezen.

5.3

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven.
Nu vast staat dat zich sinds het sluiten van het convenant een wijziging heeft voorgedaan, is de man ontvankelijk in zijn verzoek.

behoefte vrouw

5.4

Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag of de vrouw nog behoefte heeft aan een aanvullende partnerbijdrage. De man heeft niet betwist dat, zoals de vrouw heeft berekend, haar behoefte € € 2.946 netto per maand is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw geen aanknopingspunten verschaft dat in redelijkheid niet van haar kan worden verwacht dat zij haar werkzaamheden nog enigermate uitbreidt teneinde een hoger inkomen te verwerven.

De rechtbank verwacht evenwel niet dat deze inspanningen reeds op korte termijn tot gevolg zullen hebben dat de vrouw geheel in haar eigen behoefte zal kunnen voorzien. Dit betekent dat de rechtbank in het kader van deze procedure ervan uitgaat dat de bijdrage van € 2.078 bruto de behoefte van de vrouw aan een (aanvullende) partnerbijdrage niet overtreft.

draagkracht man

5.5

Conform vaste jurisprudentie moet bij de beantwoording van de vraag of bij het vaststellen van de draagkracht van een onderhoudsplichtige al dan niet rekening wordt gehouden met een inkomensdaling, allereerst beoordeeld worden of het een door gedragingen van de onderhoudsplichtige zelf teweeggebrachte inkomensdaling betreft. Tussen partijen is niet in geschil dat het verlies van zijn inkomen bij KPN niet door de man zelf is teweeggebracht, nu hij als gevolg van een reorganisatie ontslagen is. Tussen partijen is wel in geschil of de keuze van de man om de aan hem uitgekeerde ontbindingsvergoeding aan te wenden ter financiering van een eigen bedrijf in plaats van met deze vergoeding zijn lagere inkomen uit WW-uitkering te suppleren, moet worden beschouwd als een door de man zelf teweeggebrachte inkomensdaling, die aan de man moet worden toegerekend.

5.6

De man heeft toegelicht dat hij zijn ontslagvergoeding - via de Stamrecht BV -.voor een belangrijk deel heeft aangewend voor het opzetten van een bedrijf, met een deel lopende kosten heeft afbetaald, en ervoor gekozen heeft om het resterende deel van de Stamrecht B.V. in 2014 te beëindigen en de ontbindingsvergoeding af te kopen, omdat dit fiscale voordelen opleverde die slechts golden als het hele bedrag in 2014 in één keer volledig wordt opgenomen.

De man heeft een door hemzelf opgesteld overzicht in het geding gebracht van de (fiscale) consequenties van afkoop van de Stamrecht B.V. en van de besteding van de ontbindingsvergoeding. Ter zitting heeft hij de stukken nader toegelicht. Voorts heeft de man ter zitting een onderbouwd ondernemingsplan laten zien en toegelicht waarom het voor hem bezwaarlijk was om dit in de procedure in te brengen.

5.7

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting ter zitting, voldoende aangetoond dat hij, alvorens hij zijn keuze om (een deel van) zijn ontslagvergoeding via de Stamrecht B.V. aan te wenden voor investering in Gladderr, om daarmee een nieuwe bron van inkomen te verwerven, alle opties, alternatieven en eventuele voor- en nadelen zorgvuldig heeft meegewogen en heeft de man zijn beslissing zeer zorgvuldig genomen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat in dit geval sprake is (geweest) van een handelwijze van de man die aansluit bij het karakter van de ontbindingsvergoeding, namelijk opvang van inkomensschade uit ontslag. De rechtbank acht de beslissing daarmee voldoende onderbouwd en ziet daarom geen noodzaak voor het door de vrouw gewenste deskundigenonderzoek. De rechtbank is concludeert dan ook dat in het onderhavige geval niet kan worden gesteld dat de man zich, gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw, zich in redelijkheid had behoren te onthouden van het investeren van zijn ontslagvergoeding in zijn bedrijf.

5.8

De rechtbank zal de draagkracht van de man beoordelen. Hierbij zal worden aangesloten bij de door de man overgelegde draagkrachtberekeningen van zijn inkomen.

De man heeft twee berekeningen overgelegd. De eerste heeft betrekking op het jaar 2014, de tweede betreft de periode vanaf 1 januari 2015. Wat de WW-uitkering betreft wordt uitgegaan van de door de man opgegeven, door de vrouw niet betwiste, bedragen.

5.9

In het jaar 2014 heeft de man, met ingang van 3 maart 2014, inkomen uit een WW-uitkering, in totaal € 36.084. Aangezien de WW-uitkering is gestart op 3 maart 2014 zal de rechtbank ervan uitgaan dat het inkomen van de man in de maanden januari en februari 2014 bestond uit zijn oude salaris, € 11.962 bruto per maand. Op jaarbasis een inkomen van

€ 60.008.

5.10

Voorts zal rekening worden gehouden met:

- bijtelling eigen-woningforfait van € 3.126 op jaarbasis;

- fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 24.072 op jaarbasis.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting;

- arbeidskorting.

Voorts worden de volgende niet bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen:

- fiscaal aftrekbare hypotheekrente van € 2.006;

- het forfait overige eigenaarslasten van € 95;

- de premie Zorgverzekeringswet, inclusief premie aanvullende verzekering, van

€ 162, waarvan een bedrag van € 39 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, en een verplicht eigen risico van € 30 per maand.

5.11

De man heeft als last opgenomen de bijdrage van € 1.250 die hij maandelijks voor twee kinderen uit een eerder huwelijk betaalt. Sprake is van een bijdrage die hij tijdens het huwelijk van partijen al betaalde. De rechtbank acht het redelijk om, gelet op het karakter van de berekening in de onderhavige procedure, deze last, hoewel deze door de vrouw niet is betwist, vooralsnog buiten beschouwing te laten, omdat de man voor de kinderen niet (meer) onderhoudsplichtig is.

5.12

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man op € 4.043 per maand, diens draagkrachtloos inkomen op

€ 2.982 en de voor partnerbijdrage beschikbare ruimte met ingang van 1 januari 2014 op

€ 637 per maand, na brutering € 1.098 per maand.

5.13

De man heeft verzocht de ingangsdatum van de aanpassing van de partnerbijdrage te bepalen op 1 januari 2014. De vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij niet in staat zal eventueel teveel betaalde partnerbijdrage terug te betalen, aangezien zij niet beschikt over vermogen en nog kosten voor haar dochter heeft. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw op de door de man verzochte ingangsdatum op de hoogte was van de wens van de man om tot aanpassing van de partnerbijdrage te komen en vanaf die datum haar uitgavenpatroon hierop af had kunnen stemmen.

De rechtbank zal de ingangsdatum van de wijziging derhalve bepalen op 1 januari 2014 doch de door de man te betalen bijdrage betreffende de periode 1 januari 2014 tot heden bepalen op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.

5.14

Voor de berekening van de draagkracht met ingang van 1 januari 2015 zal de rechtbank de uitgangspunten van de door de man overgelegde berekening volgen:

- de man ontvangt een WW-uitkering van € 12.660, inclusief vakantietoeslag;

- een bruto salaris uit onderneming van € 4.000 per maand, € 48.000 op jaarbasis.

- een belastbare winst uit onderneming van -/- € 7.280.

5.15

De rechtbank gaat ervan uit dat de in rechtsoverweging 5.11 en 5.12 genoemde gegevens ongewijzigd zijn. Op grond van het vorenstaande berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man op met ingang van 1 januari 2015 op € 3.467 per maand, diens draagkrachtloos inkomen op € 2.982 de voor partnerbijdrage beschikbare ruimte met ingang van 1 januari 2015 op € 291 per maand, na brutering € 501 per maand. De rechtbank zal aldus beslissen.

5.16

Wijst er –ten overvloede- op dat de hiervoor vastgestelde bijdrage van € 501 jaarlijks, voor het eerst per 1 januari 2016, van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2010 en het erin opgenomen convenant dat de man met ingang van 1 januari 2014 aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud dient te voldoen € 1.098 per maand, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 januari 2014 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald.

6.2

Bepaalt met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde beschikking van deze rechtbank van 12 januari 2010 en het erin opgenomen convenant dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2015 als uitkering tot levensonderhoud telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 501 per maand.

6.3

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.C.M. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.