Personen- en familierecht

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing in een accommodatie van een…

Rechtbank Noord-Holland, 29 september 2026

Zaakgegevens

Op 29 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
29 september 2026
Datum publicatie
6 november 2026
Zaaknummer
C/15/381191
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:15150
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met een jaar. Er zijn nog steeds grote zorgen over haar ontwikkeling, door een instabiele situatie en recente incidenten zoals een overdosis paracetamol en het weglopen van [minderjarige]. Ook is er veel onrust geweest rondom de begeleide omgang en binnen het netwerk. [Minderjarige] toont zich ambivalent over contact met haar ouders en over haar woonplek, en zij heeft nog veel moeite met trauma- en emotieregulatie. Van de ouders wordt gevraagd ander gedrag te laten zien en mee te werken aan de hulpverlening. Daarom blijft [minderjarige] voorlopig op haar huidige woonplek wonen en wordt ook de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/381191 / JU RK 26-1302

Datum uitspraak: 29 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

hierna tezamen te noemen: de ouders.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 augustus 2026;

  • het bericht van de moeder met bijlagen van 13 september 2026;

  • het bericht van de moeder met bijlagen van 24 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader,

  • de moeder,

  • de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] .

1.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.


2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] verblijft sinds 25 maart 2026 op de woongroep [woongroep] van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 oktober 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling loopt tot 11 oktober 2026.

2.4.

Bij beschikking van 11 december 2025 is een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 11 december 2025 voor de duur van vier weken. Het
verzoek is voor het overige aangehouden.

2.5.

Bij beschikking van 24 december 2025 is een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 11 oktober 2026.

2.6.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 april 2026 een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 oktober 2026.


3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI - samengevat - het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd door de gevolgen van trauma, de blijvende zorgen over veiligheid, haar kwetsbare emotieregulatie en de hardnekkige patronen binnen het gezinssysteem. De ingezette hulp heeft wel tot verbetering op onderdelen geleid, maar heeft nog niet het beoogde resultaat gehad om de ontwikkeling van [de minderjarige] duurzaam veilig te stellen. Daarnaast is de opvoedsituatie nog altijd onvoldoende veilig om een terugkeer naar huis mogelijk te maken. De huidige plaatsing op [woongroep] biedt meer veiligheid en stabiliteit en moet daarom worden voortgezet.

3.3.

Op de zitting is namens de GI aanvullend het volgende naar voren gebracht. De afgelopen maanden is het rond [de minderjarige] onrustig geweest, waarbij zij veel emotie heeft laten zien, twee keer bij [woongroep] is weggelopen en recent een nog suïcidepoging heeft gedaan met een overdosis paracetamol. Sinds de uithuisplaatsing wordt steeds zichtbaarder hoe beschadigd [de minderjarige] is, hoezeer het haar moeite kost om haar emoties te reguleren en hoe ze zich moet verhouden tot de ouders. Ze komt soms terecht in risicovolle situaties, bijvoorbeeld met jongens. [de minderjarige] wordt nu enorm gereguleerd en voelt zich daardoor beperkt. Voor beide ouders is gestart met begeleide omgang; herstel van de onderlinge relatie is cruciaal voor [de minderjarige] . [de minderjarige] laat hierbij veel ambivalentie te zien in haar wens tot contact en ook vermijding. Ze is dan terughoudend richting de GI, maar heeft intussen wel contact met de vader, telefonisch en via beeldbellen. [de minderjarige] heeft niet geleerd om emoties op de juiste manier te reguleren en weet niet goed hoe ze zich moet verhouden tot volwassenen; ze stelt zich dwingend op. De ouders willen sterke ouders zijn en tegelijkertijd wordt van hen gevraagd ouderschap op afstand vorm te geven, terwijl zij zien dat het niet goed gaat met [de minderjarige] . Daarbij wordt ook van de ouders gevraagd om ander gedrag aan te leren. Gezien wordt dat de ouders zich sterk inzetten.

Het KJTC is er voor de ouders en het NPI is er voor de moeder. In verslagen is terug te lezen hoe ingewikkeld de patronen zijn en hoe moeilijk daarin beweging is te krijgen. De Waag blijft betrokken en werkt samen met de ouders. [de minderjarige] is niet gediagnosticeerd met PTSS. Ze wil niet hebben over het misbruik maar alleen over het geweld wat thuis heeft plaatsgevonden; de behandeling is gericht op aansluiten bij haar behoefte. Tot daadwerkelijke behandeling van de problemen is het tot nu toe nog niet gekomen, aldus de GI.

4 De standpunten

4.1.

De vader en zijn advocaat hebben - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De vader is het eens met verlenging van de ondertoezichtstelling. Er speelt veel meer bij [de minderjarige] dan wat ze laat zien. Ze heeft daarin begeleiding nodig. De vader weet niet goed wat hij wel en niet tegen [de minderjarige] kan zeggen. Na de overdosis paracetamol heeft de vader een paar keer contact met [de minderjarige] gehad, maar ze spreekt er niet over. De vader heeft gevraagd bij begeleiding te krijgen bij wat hij kan doen om er voor [de minderjarige] te zijn.

4.2.

De moeder en haar advocaat hebben - samengevat - het volgende naar voren gebracht. De moeder is het ook eens met de verzoeken van de GI. Er is lang geen gezamenlijk MDO geweest. De moeder weet dat de GI op de achtergrond met van alles bezig is, maar zij krijgt maar sporadisch informatie. Het vierogen-principe is ingewikkeld voor de moeder omdat oma (mz) rechtdoorzee is en [de minderjarige] dat lastig vindt.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat er nog grote zorgen over [de minderjarige] bestaan. Er is sprake van een instabiele situatie. De recente incidenten, zoals de overdosis paracetamol en het weglopen van [de minderjarige] , maken het voor de GI niet gemakkelijk om stabiliteit te brengen in de situatie. [de minderjarige] toont zich erg ambivalent in haar wens om haar ouders te zien en in het toelaten van bescherming van volwassenen om haar heen, waarbij [de minderjarige] zich snel beperkt voelt. Ook is ze heel wisselend in waar ze zou willen wonen. Er is veel onrust geweest rondom de begeleide omgang en binnen het netwerk. De behandeling voor haar trauma’s gaat [de minderjarige] nog maar zeer ten dele aan en er is sprake van emotieregulatieproblemen. Verder brengt [de minderjarige] zich regelmatig in onveilige situaties, onder meer in relatie tot leeftijdgenoten.

Van de ouders wordt gevraagd ander gedrag aan te leren. Zij werken hard, maar dit kost tijd. De moeder krijgt individuele hulpverlening en De Waag is nog steeds betrokken bij de ouders.

5.3.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het is moeilijk voor [de minderjarige] behandeling aan te gaan voor trauma’s. Ook op het gebied van emotieregulatie moet zijn nog werk verzetten. Daarnaast hebben ouders begeleiding nodig bij de noodzakelijke gedragsverandering. Door de vele onrust is daar binnen de ondertoezichtstelling nog niet voldoende aandacht voor geweest. Juist ook vanwege de ambivalente houding van [de minderjarige] over onder meer het contact met haar ouders en haar woonplek is regie door de GI noodzakelijk. De ouders zien in dat er nog veel werk moet worden verzet en stemmen in met verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

5.4.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.

5.5.

Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [de minderjarige] moet voorlopig bij [woongroep] blijven wonen, maar daar staat zij niet onverdeeld achter en dit heeft veel effect op haar gemoed. Tegelijkertijd heeft ze de structuur en veiligheid die [woongroep] biedt, hard nodig.

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.


6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 11 oktober 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 oktober 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026 door mr. B.M.A. Bataille, kinderrechter, in aanwezigheid van I.B. Dinkelaar als griffier, en op schrift gesteld op 16 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

[de minderjarige] is uitgenodigd voor een kindgesprek op 28 september 2026 Artikel 1:260 BW. Artikel 1:260, eerste lid, BW Artikel 1:265c, tweede lid, BW.