Verbintenissenrecht

Luchtvaartclaim. Rechtsgeldige cessie? Handtekening van de passagier op het assignmentformulier wijkt af van…

Rechtbank Noord-Holland, 18 oktober 2023

Zaakgegevens

Op 18 oktober 2023 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
18 oktober 2023
Datum publicatie
19 oktober 2023
Zaaknummer
10345880 \ CV EXPL 23-1068
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2023:10391
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaartclaim. Rechtsgeldige cessie? Handtekening van de passagier op het assignmentformulier wijkt af van de handtekening op het paspoort van de passagier.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 10345880 \ CV EXPL 23-1068 (DB)

Uitspraakdatum: 18 oktober 2023

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de vennootschap naar het recht van haar vestiging

AirHelp Germany GmbH

gevestigd te Berlijn (Duitsland)

eiseres

hierna te noemen AirHelp

gemachtigde mr. D.E. Lof

tegen

de buitenlandse vennootschap

Royal Air Maroc

gevestigd te Casablanca (Marokko)

gedaagde

hierna te noemen de vervoerder

gemachtigde mr. T. Teke

1 Het procesverloop

1.1.

AirHelp heeft bij dagvaarding van 6 februari 2023 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol naar Ibn Batouta Airport (Marokko) met vluchtnummer AT1643 op 16 juli 2022, hierna: de vlucht.

2.2.

De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen/is.

2.3.

AirHelp heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.

2.4.

De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3 De vordering en het verweer

3.1.

AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag van betaling;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de compensatie te voldoen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00.

3.3.

De vervoerder betwist de vordering. Op haar verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De vervoerder voert primair aan dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vordering van de passagier aan AirHelp en dat AirHelp daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Dit verweer slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.

Ingevolge artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek is voor een rechtsgeldige levering van een vorderingsrecht op naam een (authentieke of onderhandse) akte vereist en een mededeling van de cessie aan de debiteur door de vervreemder of verkrijger. In dit geval heeft AirHelp bij de dagvaarding een onderhandse akte in de vorm van een “assignment form” overgelegd dat door de passagier op 21 september 2022 ondertekend zou zijn. De vervoerder betwist de echtheid van de handtekening van de passagier op deze onderhandse akte. Hij heeft er op gewezen dat de handtekening van de passagier op het ‘assignment form’ niet overeenstemt met de handtekening van de passagier in het paspoort van de passagier. Naar het oordeel van de kantonrechter wijkt de handtekening van de passagier op het ‘assignment form’ in behoorlijke mate af van de handtekening op het paspoort van de passagier. Hierdoor kan niet zonder meer worden aangenomen dat het de passagier zelf is geweest die het ‘assignment form’ heeft ondertekend. AirHelp heeft nagelaten om dit bij repliek nader te onderbouwen, terwijl dit gelet op artikel 159 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wel op haar weg had gelegen. De verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:713) kan AirHelp niet baten. Volgens AirHelp volgt hieruit dat de vervoerder de beschikkingsbevoegdheid en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon die namens de cedent de cessieakte tekent in beginsel niet behoeft te onderzoeken. De vervoerder heeft echter de beschikkingsbevoegdheid van de passagier niet betwist en van een persoon die namens de passagier het ‘assignment form’ heeft getekend, is geen sprake. De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat het vorderingsrecht van de passagier is overgedragen aan de AirHelp, zodat AirHelp niet ontvangen kan worden in haar vordering. AirHelp zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

4.4.

Bij deze uitkomst komen de proceskosten voor rekening van AirHelp.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart AirHelp niet-ontvankelijk in haar vordering;

5.2.

veroordeelt AirHelp tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 160,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;

5.3.

verklaart dit vonnis, ten aanzien van de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter