Verbintenissenrecht

Ambtshalve toetsing kinderopvang-zaak. artikel 6:230L-situatie; voldaan aan infoplichten. Algemene…

Rechtbank Noord-Holland, 4 september 2024

Zaakgegevens

Op 4 september 2024 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
4 september 2024
Datum publicatie
27 september 2024
Zaaknummer
10762337 \ CV EXPL 23-4685
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2024:9943
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ambtshalve toetsing kinderopvang-zaak. artikel 6:230L-situatie; voldaan aan infoplichten. Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2016’ (hierna: de algemene voorwaarden) en de ‘Aanvulling op de Algemene Voorwaarden Kinderopvang SKDH’ van toepassing. In samenhang bezien geen oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 10762337 \ CV EXPL 23-4685

Uitspraakdatum: 4 september 2024

Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de stichting Stichting Kinderopvang Den Helder als rechtsopvolgster van de Stichting Peuteropvang en de Stichting Kinderdagverblijven

te Den Helder

de eisende partij

gemachtigde: gerechtsdeurwaarders J. Schutte, M.C. Dirks en E. Elling

tegen

[gedaagde]

te [plaats]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De verdere procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 10 januari 2024 (hierna: het tussenvonnis) is de eisende partij door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen en om zich uit te laten over de eventuele (on)eerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen die verband houden met de vordering. Daaraan heeft de eisende partij uitvoering gegeven bij akte van 6 maart 2024 (hierna: de akte).

2 De verdere beoordeling

Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden

2.1.

Op de onderhavige overeenkomst zijn zowel de ‘Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2016’ (hierna: de algemene voorwaarden) als de ‘Aanvulling op de Algemene Voorwaarden Kinderopvang SKDH’ (hierna: de aanvullende voorwaarden) van toepassing verklaard. De kantonrechter zal de daarin opgenomen bedingen die verband houden met de vordering toetsen op (on)eerlijkheid.

2.2.

Artikel 17 van de algemene voorwaarden betreft een rente- en incassobeding en artikel 16 een prijswijzigingsbeding. Deze bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.

2.3.

In het tussenvonnis heeft de kantonrechter het voornemen uitgesproken om artikel 22.5 lid 4 van de aanvullende voorwaarden (incassobeding) te vernietigen vanwege het oneerlijke karakter. In de akte heeft de eisende partij zich hierover uitgelaten.

2.4.

De eisende partij stelt zich op het standpunt dat artikel 22.5 lid 4 van de aanvullende voorwaarden een aanvulling betreft op de algemene voorwaarden, waarin in artikel 17 lid 6 een niet-oneerlijk-incassobeding is opgenomen. Volgens de eisende partij kon de gedaagde partij door de samenhang van deze artikelen weten waar zij contractueel aan gehouden kan worden, zodat geen sprake is van een oneerlijk beding.

2.5.

De kantonrechter volgt de eisende partij in dit standpunt, mede omdat uit de aanvullende algemene voorwaarden duidelijk blijkt dat de daarin opgenomen artikelen een aanvulling zijn op de algemene voorwaarden. Daarbij komt dat artikel 17 van de algemene voorwaarden aansluit bij de wettelijke regels omtrent (onder meer) de buitengerechtelijke incassokosten. De gedaagde partij heeft het vermoeden van de kantonrechter met betrekking tot de oneerlijkheid van het betreffende beding aldus voldoende weerlegd. Daarom wordt dit beding in stand gelaten.

2.6.

Artikel 22.5 lid 4 van de aanvullende voorwaarden ziet ook op de proceskosten. Voor zover de eisende partij op grond van dit beding aanspraak kan maken op gerechtelijke kosten die boven het liquidatietarief uitkomen, is dit beding oneerlijk. Dit heeft echter geen gevolg voor de proceskostenveroordeling in deze procedure, omdat de (kanton)rechter op grond van de artikelen 237 en 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ertoe gehouden is om de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten niet lager mogen worden vastgesteld dan het liquidatietarief.

Conclusie

2.7.

Voor het overige blijft de kantonrechter bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.8.

De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

2.9.

De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de akte komen echter voor rekening van de eisende partij, omdat het aan haarzelf te wijten is dat deze genomen moest worden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 615,28, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 585,53 vanaf 19 september 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 130,48

griffierecht € 322,00

salaris gemachtigde € 135,00;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter