Verbintenissenrecht

Luchtvaart; annulering van een vlucht waarbij een passagier zelf een alternatieve vlucht boekt is geen…

Rechtbank Noord-Holland, 24 juli 2024

Zaakgegevens

Op 24 juli 2024 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
24 juli 2024
Datum publicatie
27 september 2024
Zaaknummer
9918455 \ CV EXPL 22-3371
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2024:9954
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart; annulering van een vlucht waarbij een passagier zelf een alternatieve vlucht boekt is geen 'vertraging in het luchtvervoer' als bedoeld in artikel 19 van het Verdrag van Montreal

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9918455 \ CV EXPL 22-3371

Uitspraakdatum: 24 juli 2024

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigden: mr. R.A.C. Telkamp en X.E. Kranenberg (EUclaim B.V.)

tegen

de buitenlandse vennootschap

Etihad Airways PJSC,

gevestigd te Abu Dhabi, Verenigde Arabische Emiraten,

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. J.R.L. Sanders (Kneppelhout & Korthals N.V.)

1 Het procesverloop

1.1.

De passagiers hebben bij dagvaarding van 21 maart 2022 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.

1.2.

De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 26 en 27 maart 2020 moest vervoeren van Tullamarine Airport, Melbourne, Australië, via Kingsford Smith Airport, Sydney, Australië, en via Abu Dhabi International Airport, Verenigde Arabische Emiraten, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie EY6949, EY45 en EY77.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht EY6949 van Melbourne naar Sydney (hierna: de vlucht) geannuleerd. De passagiers hebben op eigen initiatief alternatieve vluchten naar de eindbestemming geboekt.

2.3.

De passagiers hebben schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft de kosten van de vliegtickets van de oorspronkelijke vluchten terugbetaald en voor het overige niet uitbetaald.

3 De vordering

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 702,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 maart 2020, althans vanaf de datum van ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50 dan wel 127,41 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer van 28 mei 1999, Trb. 2001/91 (hierna: het Verdrag van Montreal). De passagiers stellen dat zij als gevolg van de annulering van de vlucht en het gebrek aan (redelijk) alternatief vervoer georganiseerd door de vervoerder genoodzaakt waren om extra kosten te maken. Volgens de passagiers is de vervoerder gehouden deze kosten, bestaande uit de meerkosten van de door de passagiers zelf geboekte alternatieve vluchten en kosten voor hotelaccommodatie, te vergoeden op grond van artikel 19 van het Verdrag van Montreal.

3.3.

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De vervoerder heeft onder verwijzing naar diverse literatuur aangevoerd dat artikel 19 van het Verdrag van Montreal niet ziet op gevallen van annulering waarbij de passagiers geen alternatieve vlucht hebben aangeboden gekregen door de luchtvaartmaatschappij, zoals in deze zaak. De passagiers hebben hier tegenin gebracht dat er ook in dergelijke gevallen sprake is van een ‘vertraging in het luchtvervoer’, zoals bedoeld in dat artikel. Zij verwijzen hierbij tevens naar een eerder vonnis van de rechtbank Noord-Holland. Daarnaast zou een andere uitleg leiden tot een onwenselijke prikkel voor luchtvaartmaatschappijen om passagiers niet om te boeken naar een alternatieve vlucht.

4.3.

Het betoog van de passagiers slaagt niet. Artikel 19 van het Verdrag van Montreal luidt, voor zover relevant, als volgt: ‘De vervoerder is aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen (…).’ De vervoerder heeft er terecht op gewezen dat de overheersende opvatting in de literatuur is dat de opstellers van het Verdrag van Montreal niet beoogden om de reikwijdte van deze bepaling uit te doen strekken tot gevallen van annulering waarin een passagier zelf een latere vlucht heeft geboekt. In tegenstelling tot het eerdere vonnis, oordeelt de kantonrechter dat die situatie dus niet geldt als een ‘vertraging in het luchtvervoer’ als bedoeld in artikel 19 van het Verdrag van Montreal. Ook het betoog dat een dergelijke uitleg zou leiden tot een onwenselijke prikkel voor luchtvaartmaatschappijen om passagiers niet om te boeken, slaagt niet. Het staat passagiers immers in dergelijke gevallen immers vrij om een vordering op andere gronden in te stellen, zoals de Verordening (EG) nr. 261/2004 of het Burgerlijk Wetboek. De vordering van de passagiers zal daarom worden afgewezen.

4.4.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat deze in het ongelijk worden gesteld. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

4.5.

Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging van de vlucht worden toegewezen

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 270,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;

en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter