Verbintenissenrecht

Overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Ambtshalve toetsing aan de informatieplichten. Eisende…

Rechtbank Noord-Holland, 6 maart 2025

Zaakgegevens

Op 6 maart 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
6 maart 2025
Datum publicatie
12 februari 2025
Zaaknummer
11155058 \ CV EXPL 24-1616
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:1413
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Ambtshalve toetsing aan de informatieplichten. Eisende partij heeft voldoende toegelicht dat is voldaan aan de informatieplichten van 6:230l BW. Artikel 16 van de Algemene Voorwaarden BOVAG Autobedrijven Koop/Reparatie & Onderhoud van 1 juni 2022 is niet oneerlijk

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Zaanstad

Zaaknr./rolnr.: 11155058 \ CV EXPL 24-1616

Uitspraakdatum: 6 maart 2025

Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] B.V. handelende onder de naam [bedrijf]

te [plaats 1]

de eisende partij

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.

tegen

[gedaagde]

te [plaats 2]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De procedure

1.1.

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2 De beoordeling

2.1.

De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van € 807,41, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.

Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten

2.2.

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.

2.3.

De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.

Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden

2.4.

De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).

2.5.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: Algemene Voorwaarden BOVAG Autobedrijven Koop/Reparatie & Onderhoud van 1 juni 2022 (hierna: de algemene voorwaarden).

2.6.

Het beding uit de algemene voorwaarden dat verband houdt met de vordering, te weten artikel 16, is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.

Conclusie en proceskosten

2.7.

De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

2.8.

De gedaagde partij wordt in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 975,33, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 807,41 vanaf 4 juni 2024 tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 113,54;

griffierecht € 328,00;

salaris gemachtigde € 135,00;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Woerdman en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677. HvJ EU 27 januari 2021, C-229/19 en C-289/19, ECLI:NL:EU:C:68 (Dexia).