Verbintenissenrecht
Er is sprake van een samenloop van vertragingsoorzaken, waarbij de late belading van het toestel de…
Rechtbank Noord-Holland, 8 oktober 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:14132 · Rechtbank Noord-Holland · 8 oktober 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2025-14132
Zaakgegevens
Op 8 oktober 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 8 oktober 2025
- Datum publicatie
- 3 december 2025
- Zaaknummer
- 11295894
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2025:14132
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Er is sprake van een samenloop van vertragingsoorzaken, waarbij de late belading van het toestel de doorslaggevende factor heeft gevormd.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11295894 \ CV EXPL 24-6182
Uitspraakdatum: 8 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1], wonende te [plaats 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
beiden wonende te [plaats 2],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Finnair OYj
gevestigd te Helsinki (Finland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 29 juli 2022 vervoeren van Amsterdam via Helsinki (Finland), met vlucht AY1302 (hierna: de vlucht).
Vanuit Helsinki zou de passagier sub 1 met vlucht AY441 doorvliegen naar Oulu (Finland), en de passagiers sub 2 en 3 met vlucht A7639 naar Ivalo (Finland).
De passagiers hebben hun aansluitende vlucht(en) gemist. Zij zijn omgeboekt naar alternatieve vlucht(en) naar hun respectievelijke eindbestemmingen.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen – na vermindering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
- € 72,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de passagier sub 1 vanwege de vertraging van de vlucht recht heeft op een bedrag van € 400,00 (artikel 7 van de Verordening). De passagiers sub 2 en 3 erkennen dat zij geen recht hebben op compensatie.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid, te weten het ontbreken van voldoende personeel bij de bagage afhandelaar van Schiphol. De passagiers hebben het voorgaande niet betwist, maar hebben zich op het standpunt gesteld dat de vlucht (ook) is vertraagd doordat drie passagiers in een rolstoel assistentie nodig hadden waardoor het boarden zeven minuten langer heeft geduurd.
Vaststaat dat het boarden om 12:02 uur LT (zeven minuten na de geplande vertrektijd van 11:55 uur LT) was afgerond. In dit geval is het echter zo dat, ook indien de boarding eerder was afgerond en de vlucht dus tijdig klaar zou hebben gestaan voor vertrek, de vervoerder niet kon vertrekken voordat het inladen van alle ruimbagage was afgerond. Aldus is sprake van een samenloop van vertragingsoorzaken, waarbij de late belading van het toestel de doorslaggevende factor heeft gevormd. De conclusie is dat het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt.
De vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken moet bevestigend worden beantwoord. Aangezien de volledige vertraging van de vlucht (54 minuten) is veroorzaakt door een buitengewone omstandigheid, heeft het feit dat de vervoerder onvoldoende buffer in de overstaptijd heeft ingeruimd in dit geval geen gevolgen. De vervoerder heeft toegelicht dat hij de passagier sub 1 heeft omgeboekt op de eerstvolgende alternatieve vlucht naar Oulu. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer of anders had kunnen nemen om de vertraging te voorkomen dan wel te beperken. Gelet op het voorgaande zal de vordering van de passagiers worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen.
5 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 164,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter