Verbintenissenrecht
De vervoerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door…
Rechtbank Noord-Holland, 31 december 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:16022 · Rechtbank Noord-Holland · 31 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2025-16022
Zaakgegevens
Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 31 december 2025
- Datum publicatie
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- 11394583
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2025:16022
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De vervoerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden (invloed voorafgaande vlucht en drukte bij o.a. de security check).
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11394583 \ CV EXPL 24-7861
Uitspraakdatum: 10 december 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: Aviclaim
rolgemachtigde: mr. A.Y. Lai
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Egyptair Airlines Company
gevestigd te Caïro (Egypte)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 22 december 2022 vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via Caïro (Egypte) naar Entebbe (Oeganda).
Vlucht MS758 van Amsterdam naar Caïro (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht MS835 gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee zij 5 uur en 49 minuten later dan oorspronkelijk gepland in Entebbe zijn aangekomen.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- € 180,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op buitengewone omstandigheden. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door de late aankomst van de direct voorafgaande vlucht MS757 (25 minuten), capaciteitsproblemen bij de bagageafhandeling en check ins (24 minuten) en capaciteitsproblemen bij de security check (15 minuten). De vertraging van de vlucht is vervolgens tijdens de uitvoering van de vlucht nog met 6 minuten verder opgelopen.
De passagiers hebben terecht aangevoerd dat uit productie 1 bij antwoord volgt dat de vertraging van de voorafgaande vlucht MS75 op haar beurt veroorzaakt is door de verlate binnenkomst van dááraan voorafgaande vlucht (code 93) en het schoonmaken van het vliegtuig (code 35). Deze omstandigheden leveren geen buitengewone omstandigheid op. Dat de MS757 in Caïro heeft moeten wachten op toestemming van de luchtverkeersleiding om te vertrekken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken.
De kantonrechter is verder van oordeel dat, hoewel de vervoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er op de datum van de vlucht sprake was van bovengemiddelde drukte bij de security check, bagageafhandeling en check-ins, hij niet, of althans onvoldoende, onderbouwd heeft hoe dit van invloed is geweest op de uitvoering van de vlucht. De (operationele) keuze van de vervoerder om op verlate passagiers te wachten, ontslaat hem niet van de verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Weliswaar heeft de vervoerder aangevoerd dat een deel van de vertraging is veroorzaakt doordat de vlucht moest wachten op de bagageafhandelaar (die er te lang over deed om de bagage van de passagiers aan boord te brengen), maar hij heeft niet toegelicht welke vertragingsduur dit heeft veroorzaakt.
De conclusie is dat het beroep op buitengewone omstandigheden faalt. De kantonrechter komt niet toe aan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de annulering te voorkomen dan wel de vertraging ten gevolge van de annulering te beperken. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van de dagvaarding.
De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagiers worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
135,97 |
|
|
- griffierecht |
€ |
218,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
408,00 |
(2 punten × € 204,00) |
|
- nakosten |
€ |
102,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
863,97 |
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.380,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 22 december 2022 en over € 180,00 vanaf 15 oktober 2024;
veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 863,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter