Verbintenissenrecht

De vervoerder heeft niet aangetoond dat hij de passagiers een alternatieve vlucht naar de eindbestemming…

Rechtbank Noord-Holland, 31 december 2025

Zaakgegevens

Op 31 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
31 december 2025
Datum publicatie
20 april 2026
Zaaknummer
11306212
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:16024
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De vervoerder heeft niet aangetoond dat hij de passagiers een alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat het onmogelijk was om de passagiers om te boeken. De stelling dat de passagiers per e-mail een link hebben ontvangen waarmee zij zelf via de portal een alternatieve vlucht konden kiezen, is in dit verband onvoldoende. De vorderingen tot compensatie en vergoeding van de door de passagiers zelf georganiseerde treinreis worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11306212 \ CV EXPL 24-6464

Uitspraakdatum: 31 december 2025

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1],wonende te [plaats 1],

2. [eiser 2], wonende te [plaats 2],

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: Yource B.V.

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

EasyJet Airline Company Limited

gevestigd te Londen Luton (Verenigd Koninkrijk)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. B. Koolhaas

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 21 september 2023 vervoeren van Amsterdam naar Berlijn (Duitsland), met vlucht U25288 (hierna: de vlucht).

2.2.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.

2.3.

De passagier sub 1 heeft zelf een alternatieve treinreis geboekt.

2.4.

De passagiers hebben compensatie en financiële schadevergoeding van de vervoerder gevorderd.

2.5.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 649,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der incident;
- € 117,87 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).

3.3.

Daarnaast stellen zij dat de vervoerder de kosten van de door passagier 1 zelf geboekte treinreis moet vergoeden (artikel 9 van de Verordening dan wel artikel 19 van het Verdrag van Montreal).

3.4.

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

Compensatie

4.2.

De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De kantonrechter overweegt dat wat daar ook van zij, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming als gevolg van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. Daarover wordt als volgt overwogen.

4.3.

De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij de passagiers een alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat het onmogelijk was om de passagiers om te boeken naar een andere vlucht. De stelling van de vervoerder dat de passagiers per e-mail een link hebben ontvangen waarmee zij zelf via de portal een alternatieve vlucht konden kiezen, is in dit verband onvoldoende. Daaruit blijkt immers niet welke alternatieven daadwerkelijk door de vervoerder zijn aangeboden. Zodoende is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder er niet in is geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat de passagiers een redelijk alternatief aangeboden hebben gekregen.

4.4.

Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment vast zou komen vast te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheid, de vervoerder gehouden is de compensatie te betalen in verband met de vertraging op de eindbestemming. Het feit dat de passagiers (vanwege het gebrek aan redelijk alternatief) voor restitutie in plaats van omboeking hebben gekozen, staat niet aan het recht op compensatie in de weg. De vordering tot betaling van de hoofdsom (en de wettelijke rente daarover) zal dan ook worden toegewezen.

Schadevergoeding

4.5.

De passagiers hebben schadevergoeding verzocht in die zin dat zij de kosten van de door de passagier sub 1 zelf geboekte alternatieve treinreis vergoed willen zien. De kantonrechter merkt in dit verband op dat de Verordening geen zelfstandige grondslag biedt voor de vergoeding van extra gemaakte kosten.

4.6.

De passagiers beroepen zich (mede) op het Verdrag van Montreal. Artikel 19 van dat verdrag bepaalt dat de vervoerder gehouden is tot vergoeding van ‘schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen’. De vervoerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat de passagiers na de annulering van de vlucht alsnog zonder vertraging op de eindbestemming hadden kunnen aankomen. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat de beslissing van de passagiers om een andere vlucht te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’.

4.7.

De volgende vraag die voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om de schade te vermijden, of dat het voor hem onmogelijk was om dergelijke maatregelen te nemen. De kantonrechter heeft hiervoor reeds geoordeeld dat de vervoerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem niet mogelijk was om de passagiers een vervangende vlucht naar Berlijn aan te bieden.

4.8.

De kantonrechter is van oordeel dat de overgelegde boekingsbevestiging (waarin ook de prijs en de wijze van betaling staan genoemd) een voldoende onderbouwing van de gemaakte kosten vormt. Bovendien zijn de kosten voldoende noodzakelijk, redelijk en passend gebleken. Dat betekent dat de vervoerder de kosten van de vervangende treinreis moet vergoeden.

4.9.

Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat slechts sprake kan zijn van ‘schade’ voor zover de gemaakte kosten de eventuele restitutie van de oorspronkelijke vliegtickets overschrijden. Dat betekent dat een eventueel gerestitueerd bedrag op de toegewezen schadevergoeding in mindering moet komen.

Conclusie

4.10.

De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van de passagiers zal toewijzen, behoudens het navolgende.

4.11.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.

4.12.

De vervoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de passagier worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

135,97

- griffierecht

€

130,00

- salaris gemachtigde

€

270,00

(2 punten × € 135,00)

- nakosten

€

67,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

603,47

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 649,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 september 2023 tot de dag van de gehele betaling;

5.2.

veroordeelt de vervoerder in de proceskosten van € 603,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de vervoerder niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter