Verbintenissenrecht

Luchtvaart. EPGV. AirHelp heeft namens een aantal passagiers compensatie van de vervoerder verzocht vanwege…

Rechtbank Noord-Holland, 12 maart 2025

Zaakgegevens

Op 12 maart 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
12 maart 2025
Datum publicatie
17 maart 2025
Zaaknummer
10668237 \ CV FORM 23-5498
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:2813
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. EPGV. AirHelp heeft namens een aantal passagiers compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder stelt dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een capaciteitsbeperking op Schiphol vanwege een personeelstekort. Het verweer van de vervoerder slaagt en het verzoek van AirHelp wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 10668237 \ CV FORM 23-5498

Uitspraakdatum: 12 maart 2025

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn, Duitsland

verzoekende partij

verder te noemen: AirHelp

gemachtigde: mr. D.E. Lof

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

EasyJet Europe Airline GmbH

gevestigd te Wenen, Oostenrijk

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)

De zaak in het kort

AirHelp heeft namens een aantal passagiers compensatie van de vervoerder verzocht vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder stelt dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een capaciteitsbeperking op Schiphol vanwege een personeelstekort. Het verweer van de vervoerder slaagt en het verzoek van AirHelp wordt afgewezen.

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier;

  • het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

[betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (hierna: de passagiers) hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 25 september 2022 vervoeren van Boedapest, Hongarije, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EC7916 (hierna: de vlucht)

2.2.

De vlucht is geannuleerd.

2.3.

De passagiers hebben hun eventuele vorderingen overgedragen aan AirHelp.

2.4.

AirHelp heeft daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.5.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

AirHelp verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 september 2022 tot aan de dag van de gehele betaling;
- de proceskosten.

3.2.

AirHelp baseert haar verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per passagier.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij stelt dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar geen invloed op kon uitoefenen.

4.3.

Volgens de vervoerder moest de vlucht worden geannuleerd vanwege een capaciteitsbeperking op Schiphol. Er was sprake van een personeelstekort, waardoor de luchthaven niet in staat was om het geplande aantal passagiers te verwerken. Een aantal dagen voor de geplande uitvoering van de vlucht stuurde de ‘slot coördinator’ van Schiphol daarom een instructie aan de luchtvaartmaatschappijen, waaronder de vervoerder, om het aantal passagiers op de luchthaven te verminderen. De vervoerder was verplicht om aan deze instructie te voldoen. Omdat vliegtuigen van tevoren vastgestelde trajecten afleggen, leidt een beperking van het aantal vertrekkende vluchten ook tot een beperking van het aantal arriverende vluchten. Daarop heeft de vervoerder besloten om de vlucht te annuleren, aldus de vervoerder.

4.4.

Het betoog van de vervoerder slaagt. De kantonrechter overweegt dat een capaciteitsbeperking een buitengewone omstandigheid kan zijn als de vervoerder toelicht dat hij vanwege de mate en duur van de beperking geen andere keuze had dan tot annulering van de vlucht over te gaan. De vervoerder heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende onderbouwd dat het luchtverkeersbeheer van Schiphol hem heeft verplicht om het aantal passagiers op de datum van de vlucht te verminderen, dat er daardoor vluchten geannuleerd moesten worden en dat dit ook invloed had op het aantal arriverende vluchten. Een luchtvaartmaatschappij moet daarbij de mogelijkheid hebben om een zelfstandige afweging te maken welke vluchten er specifiek geannuleerd worden. Een dergelijke beperking is niet inherent aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij had daar ook geen invloed op. Daarom was de annulering van de vlucht het gevolg van buitengewone omstandigheden.

4.5.

Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging vanwege de annulering te voorkomen en te beperken. De vervoerder stelt dat hij de passagiers na de annulering een keuze heeft geboden tussen terugbetaling, omboeking of op eigen initiatief boeken bij een alternatieve luchtvaartmaatschappij, waarbij de kosten hiervan kunnen worden teruggevraagd bij de vervoerder. Uiteindelijk hebben de passagiers op eigen initiatief een alternatieve vlucht geboekt en heeft de vervoerder hen de oorspronkelijke ticketkosten terugbetaald, aldus de vervoerder.

4.6.

Het verweer van de vervoerder slaagt. Niet valt in te zien wat er onder deze omstandigheden meer of anders van hem kon worden verwacht. Het betoog van AirHelp dat de vervoerder de passagiers had moeten omboeken op een andere alternatieve vlucht, slaagt daarbij niet. De passagiers hebben immers zelf gekozen voor de optie om op eigen initiatief een alternatieve vlucht te boeken en de vervoerder heeft hen de oorspronkelijke ticketprijs terugbetaald. Daarmee heeft de vervoerder alle redelijke maatregelen getroffen. Dit betekent dat het verzoek van AirHelp zal worden afgewezen.

4.7.

De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

4.8.

De proceskosten komen voor rekening van AirHelp omdat zij ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van AirHelp, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De verzochte rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking.

5 De beslissing
De kantonrechter:

5.1.

wijst het verzochte af;

5.2.

veroordeelt AirHelp tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 135,00 aan salaris gemachtigde;
en veroordeelt AirHelp tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van deze beschikking tot aan de dag van de algehele voldoening.

5.3.

verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771.