Verbintenissenrecht

Vordering tot compensatie is ingetrokken. De BIK wordt afgewezen. Het enkele feit dat de vervoerder zijn…

Rechtbank Noord-Holland, 5 maart 2025

Zaakgegevens

Op 5 maart 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
5 maart 2025
Datum publicatie
15 april 2025
Zaaknummer
10780472 \ CV EXPL 23-7204
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:4123
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vordering tot compensatie is ingetrokken. De BIK wordt afgewezen. Het enkele feit dat de vervoerder zijn verweer niet reeds in de buitengerechtelijke fase met stukken heeft onderbouwd, leidt er niet per definitie toe dat de passagiers daardoor nodeloos worden gedwongen een procedure te starten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 10780472 \ CV EXPL 23-7204

Uitspraakdatum: 5 maart 2025

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats 1],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],
beiden wonende te [plaats 2],

5. [eiser 5], wonende te [plaats 3] (Spanje)

eisers

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde]
rolgemachtigde: mr. A.Y. Lai

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

Air Arabia Maroc S.A.

gevestigd te Casablanca (Marokko)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. V.L. van Uden

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord tevens houdende bevoegdheidsincident;
- het vonnis van de rechtbank Rotterdam waarin het incident is toegewezen en de zaak is verwezen naar de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 20 juni 2022 vervoeren van Amsterdam naar Nador (Marokko), met vlucht 3O122 (hierna: de vlucht).

2.2.

De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers vorderen – na vermindering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 300,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de nakosten.

3.2.

De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De passagiers hebben bij conclusie van repliek erkend dat zij geen recht hebben op compensatie, omdat de vertraging op de eindbestemming is veroorzaakt door buitengewone omstandigheden. De passagiers vorderen nog wel de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd dat zij niet tot dagvaarding zouden zijn overgegaan als zij voorafgaande aan de procedure door de vervoerder in kennis zouden zijn gesteld van feiten en omstandigheden die pas in deze procedure bij de passagiers bekend zijn geworden.

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. De vervoerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij óók in de buitengerechtelijke fase (onder meer bij e-mail van 13 juli 2022) een beroep op buitengewone omstandigheden heeft gedaan. Het enkele feit dat de vervoerder zijn verweer niet reeds in de buitengerechtelijke fase met stukken heeft onderbouwd, leidt er niet per definitie toe dat de passagiers daardoor nodeloos worden gedwongen een procedure te starten. De passagiers hebben ook niet gesteld welke concrete informatie de vervoerder, ondanks daartoe door de passagiers te zijn verzocht, niet in de voorfase van de procedure hebben verstrekt maar eerst na het starten van deze procedure. Er is daarom onvoldoende grond voor de stelling dat deze procedure voorkomen had kunnen worden als de vervoerder in een eerder stadium meer informatie zou hebben gegeven. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.

4.4.

De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, vermeerderd, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 164,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,
vermeerderd, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

5.3.

verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter