Verbintenissenrecht

Sportschool. Het enkele feit dat de gedaagde partij een machtiging heeft afgegeven, is onvoldoende om aan te…

Rechtbank Noord-Holland, 15 januari 2025

Zaakgegevens

Op 15 januari 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
15 januari 2025
Datum publicatie
21 januari 2025
Zaaknummer
11204567 \ CV EXPL 24-4854
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2025:506
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Sportschool. Het enkele feit dat de gedaagde partij een machtiging heeft afgegeven, is onvoldoende om aan te nemen dat partijen een duurovereenkomst hebben gesloten, en onder welke voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11204567 \ CV EXPL 24-4854

Uitspraakdatum: 15 januari 2025

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser] handelend onder de naam [bedrijf]

te [plaats]

de eisende partij
hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: [gemachtigde]

tegen

[gedaagde]

te [plaats]

de gedaagde partij
hierna te noemen: [gedaagde]

procederend in persoon

1 Het procesverloop

1.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding van 2 juli 2024 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft mondeling geantwoord.

1.2.

[eiser] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] stelt dat [gedaagde] in 2016 een sportschoolabonnement met personal training heeft afgesloten bij [eiser]. Volgens [eiser] is [gedaagde] in gebreke gebleven met de betaling van de maandelijkse termijnen. [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 594,00, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten.
2.2. [gedaagde] betwist de vordering. Hij voert – samengevat – aan dat hij enkel proeflessen heeft gevolgd. [gedaagde] heeft na de proeflessen geen gebruik gemaakt van de sportschoolfaciliteiten.

3 De beoordeling

3.1.

De eerste vraag die voorligt is of partijen een abonnement met vaste looptijd, dan wel enkel proeflessen zijn overeengekomen.

3.2.

[eiser] stelt dat [gedaagde] drie lessen heeft gevolgd, waarvan één les een proefles was. Na afloop van de proefles hebben partijen een overeenkomst voor de duur van zes maanden gesloten. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] verwezen naar de overgelegde bankafschriften waaruit volgens hem volgt dat [gedaagde] een SEPA-machtiging heeft afgegeven voor de automatische incasso van de maandelijkse termijnen. [gedaagde] heeft hiertegen aangevoerd dat hij het er vanuit ging dat het een eenmalige afschrijving betrof. Dat is volgens hem ook de reden waarom hij alle overige afschrijvingen heeft gestorneerd.

3.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. Het enkele feit dat [gedaagde] een SEPA-machtiging heeft afgegeven, is onvoldoende om aan te nemen dat partijen een duurovereenkomst hebben gesloten, en onder welke voorwaarden. De overgelegde whatsappberichten zijn daarvoor evenmin voldoende. Het had op de weg van [eiser] gelegen om, bijvoorbeeld, een afschrift van de overeenkomst in het geding te brengen. Nu [eiser] dit heeft nagelaten, is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd.

3.4.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter als volgt. Voor zover sprake is van een overeenkomst tussen partijen, betreft dit een consumentenovereenkomst. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. [eiser] heeft nagelaten een toelichting te geven op de wijze van totstandkoming van de overeenkomst. Ook heeft hij niet gesteld en onderbouwd dat hij heeft voldaan aan de op hem rustende (pre)contractuele informatieplichten. De vordering moet ook om die reden worden afgewezen.

3.5.

De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [gedaagde] worden vastgesteld op een bedrag van € 50,- aan verletkosten;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter