Verbintenissenrecht
De werkgever heeft een bedrag aan de onderneming van de werknemer uitgeleend. Een deel van deze lening is bij…
Rechtbank Noord-Holland, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13257 · Rechtbank Noord-Holland · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2026-13257
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 september 2026
- Zaaknummer
- K/4102/12220016
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:13257
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De werkgever heeft een bedrag aan de onderneming van de werknemer uitgeleend. Een deel van deze lening is bij de eindafrekening van het dienstverband verrekend. Het overige deel van de lening is opeisbaar en de vordering tot terugbetaling daarvan wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12220016 \ CV EXPL 26-3026
Vonnis van 7 oktober 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
HC TO GREEN B.V.,
te Haarlem,
eisende partij,
hierna te noemen: HC to Green,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen
[gedaagde] handelend onder de namen [bedrijf 1] en [bedrijf 2]
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 Feiten
HC to Green B.V. en [bedrijf 3] B.V. worden bestuurd door de heer [betrokkene].
[gedaagde] is sinds 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 bij HC to Green in dienst geweest als Chief Strategy Officer, Chief Marketing Officer en Sustainability Officer.
[gedaagde] heeft daarnaast een eenmanszaak, genaamd [bedrijf 1]. Via [bedrijf 1] verrichtte [gedaagde] werkzaamheden ten behoeve van [bedrijf 3], waarvoor facturen werden verzonden en betaald.
[betrokkene] heeft een privélening van € 3.500,00 aan [gedaagde] in persoon verstrekt.
[betrokkene] heeft een privélening van € 3.000,00 aan [gedaagde] in persoon verstrekt.
HC to Green heeft een lening van € 6.550,00 aan [bedrijf 1] verstrekt. Op 29 oktober 2025 hebben partijen de afspraken met betrekking deze lening schriftelijk vastgelegd:
“Op 7 april 2025 heeft HC to Green B.V. een rekening voldaan ten behoeve van het bedrijf van [gedaagde] ([bedrijf 1]) ten bedrage van € 7.926,48 inclusief btw, overeenkomend met € 6.550,00 exclusief btw.
Partijen wensen vast te leggen dat dit bedrag wordt beschouwd als een lening van HC to Green B.V. aan [bedrijf 1].
Artikel 1 – Lening
1. De schuldeiser verklaart aan de Schuldenaar een geldlening te hebben verstrekt ter hoogte van € 6.550,-- (…)
2. De lening is verstrekt op 7 april 2025 door betaling van bovengenoemde factuur namens [bedrijf 1].
Artikel 2 – Rente
1. Over het geleende bedrag is een rente van 5% per jaar verschuldigd, te rekenen vanaf de datum van verstrekking (7 april 2025) tot aan de dag van de volledige terugbetaling.
Artikel 3 – Terugbetaling
1. De schuldenaar verplicht zich het geleende bedrag uiterlijk op, bijvoorbeeld 31 july 2025 volledig terug te betalen aan de Schuldeiser.
(…)”
[bedrijf 3] heeft een lening van € 6.000,00 aan [bedrijf 1] verstrekt.
Bij de initiële eindafrekening van het dienstverband in december 2025 heeft HC to Green een bedrag van € 5.383,23 op het aan [gedaagde] te betalen bedrag ingehouden wegens een openstaande lening. Hierdoor werd het te betalen bedrag aan [gedaagde] gereduceerd tot € 0,00.
De eindafrekening is later herzien, omdat HC to Green geen rekening had gehouden met de beslagvrije voet. In de herziene eindafrekening is ook de transitievergoeding meegenomen. HC to Green heeft de eindafrekening gecorrigeerd naar een hogere ‘inhouding lening’ van € 6.009,07, waarbij [gedaagde] (uitsluitend) de beslagvrije voet van € 1.386,00 uitbetaald heeft gekregen.
[gedaagde] is aangemeld bij de gemeentelijke schuldhulpverlening.
3 Het geschil
HC to Green vordert na eiswijziging - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 7.252,50, vermeerderd met rente en kosten.
HC to Green legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op 7 april 2025, door namens [bedrijf 1] een factuur te voldoen, een bedrag van € 6.550,00 aan (de onderneming van) [gedaagde] heeft uitgeleend. [gedaagde] heeft dit bedrag tot op heden niet terugbetaald. [gedaagde] is vanwege het betalingsverzuim ook de contractuele rente van 5% per jaar en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 702,50) verschuldigd.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van HC to Green, met veroordeling van HC to Green in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat HC to Green een bedrag van € 6.550,00 aan [bedrijf 1] heeft uitgeleend en dat [bedrijf 1] dan wel [gedaagde] verplicht is om het geleende bedrag aan HC to Green terug te betalen. [gedaagde] stelt dat de lening grotendeels al is afbetaald, doordat HC to Green het bedrag bij de eindafrekening van het dienstverband in december 2025 op het loon van [gedaagde] in mindering heeft gebracht.
Voor verrekening is vereist dat partijen over en weer schuldenaar en schuldeiser van elkaar zijn. [bedrijf 1] heeft terecht opgemerkt dat HC to Green haar eigen loonschuld niet kan verrekenen met een vordering uit een lening die aan een andere (rechts)persoon toekomt (zoals [betrokkene] in privé of [bedrijf 3]), omdat de vereiste wederkerigheid ontbreekt. De door HC to Green overgelegde verklaring van haar accountant waaruit volgt dat dat het bedrag dat bij de eindafrekening met het salaris van [gedaagde] is verrekend, betrekking had op de lening(en) van [betrokkene] in privé aan [gedaagde] in privé (2.4 en 2.5), kan daarin geen verandering brengen. De kantonrechter gaat daarom aan die verklaring voorbij.
De lening waarvan in deze zaak terugbetaling wordt gevorderd is door de werkgever (HC to Green) verstrekt aan de eenmanszaak ([bedrijf 1]) van de werknemer ([gedaagde]). De regels inzake consumentenkrediet zijn daarom niet van toepassing. Een eenmanszaak heeft echter geen afgescheiden rechtspersoonlijkheid. De lening kan in zoverre worden aangemerkt als een lening van HC to Green aan [gedaagde] zelf. HC to Green kon deze lening daarom bij de eindafrekening met het aan [gedaagde] verschuldigde loon verrekenen. Nu niet is gebleken dat sprake was van andere leningen van HC tot Green aan [gedaagde] waarop de inhouding betrekking kon hebben, gaat de kantonrechter ervan uit dat de inhouding strekte tot aflossing van de thans in geding zijnde lening. Dat betekent dat [gedaagde] aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 31 december 2025 een bedrag van € 6.009,07 heeft afgelost en dat een hoofdsom van € 540,93 resteert.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de terugbetalingstermijn van de lening. In de schriftelijke overeenkomst staat volgens hem slechts een ‘voorbeeld’ van een vervaldatum genoemd. Of de in de overeenkomst genoemde datum van 31 juli 2025 als daadwerkelijk overeengekomen vervaldatum moet worden aangemerkt, kan naar het oordeel van de kantonrechter in het midden blijven. Immers, ook indien de hoofdregel van artikel 7:129e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van toepassing zou zijn, staat vast dat de lening inmiddels opeisbaar is geworden.
De conclusie is dat de vordering tot betaling van de hoofdsom tot een bedrag van € 540,93 wordt toegewezen. Dat [gedaagde] het openstaande bedrag niet ineens kan betalen vanwege zijn financiële situatie, doet niet af aan zijn betalingsverplichting. [gedaagde] heeft onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat het door HC to Green gebruik maken van haar contractuele bevoegdheid om betaling van het openstaande bedrag van de lening te vorderen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het beroep van [gedaagde] op artikel 6:248 lid 2 BW slaagt dan ook niet.
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] over het geleende bedrag een rente van 5% per jaar verschuldigd is, te rekenen vanaf 7 april 2025 tot aan de dag van de volledige terugbetaling. Deze contractuele rente is daarom toewijsbaar. Dat een deel van de lening inmiddels is afgelost, maakt dit niet anders: over dat deel is de rente verschuldigd tot aan het moment waarop de aflossing heeft plaatsgevonden (31 december 2025).
HC to Green vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). HC to Green heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. HC to Green heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Voor de hoogte van het bedrag zal worden aangesloten bij de toewijsbare hoofdsom. Daarom zal een bedrag van € 67,64 worden toegewezen.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan HC to Green te betalen een bedrag van € 540,93, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 5% per jaar
-
over € 6.009,07 vanaf 7 april 2025 tot 31 december 2025, en
-
over € 540,93 vanaf 7 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan HC to Green te betalen een bedrag van € 67,64 aan buitengerechtelijke kosten,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter