Verbintenissenrecht
bestaan van gestelde geldleningsovereenkomst voldoende aangetoond, beroep op verrekening verworpen
Rechtbank Noord-Holland, 2 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:13510 · Rechtbank Noord-Holland · 2 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2026-13510
Zaakgegevens
Op 2 september 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- K/4102/11998596
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:13510
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bestaan van gestelde geldleningsovereenkomst voldoende aangetoond, beroep op verrekening verworpen
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11998596 \ CV EXPL 25-8098 (HB)
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats],
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.H. Godthelp,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats],
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: mr. E.W.P. Wijling.
1 De zaak in het kort
In deze zaak vordert [eiser] (naast nevenvorderingen) veroordeling van [gedaagde] tot terugbetaling van een bedrag van € 5.315,60 op grond van (primair) een geldleningsovereenkomst. [gedaagde] betwist dat partijen een geldleningsovereenkomst hebben gesloten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] het bestaan van de gestelde geldleningsovereenkomst voldoende heeft aangetoond. [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het geleende bedrag.
Het door [gedaagde] gedane beroep op verrekening met een door hem ten behoeve van [eiser] betaald bedrag van € 4.699,97 wordt verworpen, omdat niet is gebleken dat met betrekking tot dat bedrag een terugbetalingsverplichting is overeengekomen. Daarom wordt ook de tegenvordering afgewezen.
2 De procedure
[eiser] heeft een vordering tegen [gedaagde] ingesteld bij dagvaarding van 25 november 2025. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord en daarbij een tegenvordering ingediend. [eiser] heeft schriftelijk geantwoord op de tegenvordering. Bij deze processtukken hebben partijen ook producties overgelegd.
Bij tussenvonnis van 18 februari 2026 heeft de kantonrechter een mondelinge behandeling bepaald. Deze heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2026. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft pleitnotities overgelegd en voorgedragen. [gedaagde] heeft ter zitting zijn tegenvordering verminderd en een nadere productie in het geding gebracht.
3 Feiten
[eiser] en [gedaagde] hebben van januari 2023 tot medio 2025 een affectieve relatie gehad. Zij hebben niet samengewoond, maar woonden nog bij hun ouders.
Na een uitgebreide correspondentie tussen partijen via Whatsapp, heeft [eiser] bij brief van 3 september 2025 aan [gedaagde] meegedeeld – kort weergegeven - dat zij hem over een langere periode tijdens hun relatie een bedrag van € 5.315,60 heeft geleend, dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] dat bedrag zou terugbetalen en dat [gedaagde] dat ondanks herhaald verzoek nog niet heeft gedaan. [eiser] heeft in die brief aangezegd dat zij [gedaagde] alvast in gebreke stelt voor het geval hij niet binnen veertien dagen betaalt en dat zij in dat geval aanspraak zal maken op kosten en wettelijke rente.
Bij brief van 11 september 2025 heeft de moeder van [gedaagde] namens [gedaagde] op die brief gereageerd. Zij heeft er in die brief onder meer op gewezen dat er gedurende de relatie over en weer uitgaven zijn gedaan ‘ten kosten en baten van de relatie’, waarbij giften (onder andere verjaardagscadeau’s) over en weer zijn gegaan. Ook heeft zij [eiser] om bewijs(bonnen) verzocht.
Vervolgens heeft [eiser] bij brief van haar gemachtigde van 16 september 2025 gericht aan [gedaagde] bericht dat uit divers appverkeer blijkt dat [gedaagde] € 5.315,60 van [eiser] heeft geleend. [eiser] heeft [gedaagde] gesommeerd dat bedrag binnen zes weken na dagtekening van die brief terug te betalen. Ook heeft zij meegedeeld dat zij aantijgingen over (onder meer) verjaardagscadeaus betwist.
In reactie daarop heeft de moeder van [gedaagde] bij e-mail van 18 september 2025 gericht aan de gemachtigde van [eiser] bericht dat [gedaagde] het dispuut verder zelf zal afhandelen met bijstand van zijn advocaat.
4 De vordering en het verweer daartegen
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 5.315,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2025 en met € 640,78 aan buitengerechtelijke incassokosten. Ook vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten (waaronder nakosten). [eiser] wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld (‘uitvoerbaar bij voorraad’).
[eiser] legt – kort weergegeven - primair aan haar vordering ten grondslag dat zij aan [gedaagde] een bedrag van in totaal € 5.315,60 heeft geleend en dat [gedaagde] dit bedrag ondanks sommatie niet heeft terugbetaald. Subsidiair stelt [eiser] dat zij dit bedrag onverschuldigd aan [gedaagde] heeft betaald en meer subsidiair dat [gedaagde] door die betaling ongerechtvaardigd is verrijkt.
[gedaagde] vindt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en dat [eiser] in de proceskosten (met eventuele nakosten) moet worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente. [gedaagde] wil de mogelijkheid krijgen om de proceskostenveroordeling meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
[gedaagde] voert hiertoe aan – kort samengevat – dat hij geen geld van [eiser] heeft geleend. Het door [eiser] genoemde bedrag heeft betrekking op relatiegebonden uitgaven die binnen de affectieve relatie over en weer zijn gedaan, zonder terugbetalingsverplichting. Van onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking is evenmin sprake.
[gedaagde] wijst erop dat hij gedurende de relatie zelf ook betalingen heeft verricht ten behoeve van [eiser], waaronder aantoonbare bankbetalingen aan derden. Voor zover zou worden geoordeeld dat [gedaagde] een betalingsverplichting heeft jegens [eiser], dan is [gedaagde] bevoegd het desbetreffende bedrag (van in totaal € 4.699,97) te verrekenen met de vordering van [eiser].
Onder ‘de beoordeling’ zal de kantonrechter – zo nodig – verder op de standpunten van partijen ingaan.
5 De tegenvordering en het verweer daartegen
Voor het geval de vordering van [eiser] geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen, vordert [gedaagde] bij wijze van tegenvordering – na vermindering van de eis – dat [eiser] wordt veroordeeld om bovengenoemd bedrag van € 4.699,97 aan hem terug te betalen (te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten/nakosten met wettelijk rente).
[eiser] betwist dat [gedaagde] een tegenvordering op haar heeft.
Onder ‘de beoordeling’ zal de kantonrechter – zo nodig – verder op de standpunten van partijen ingaan.
6 De beoordeling
de vordering
Geldleningsovereenkomst?
In deze procedure moet allereerst de vraag worden beantwoord of tussen partijen een geldleningsovereenkomst is gesloten, zoals door [eiser] primair aan haar vordering ten grondslag is gelegd. De kantonrechter beantwoordt die vraag bevestigend. Hieronder legt zij uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Op zichzelf heeft [gedaagde] niet (of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd) betwist dat hij een bedrag van in totaal € 5.315,60 van [eiser] heeft ontvangen. Wel heeft hij betwist dat dit een geldlening betrof.
Een overeenkomst van geldlening is een kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft aangetoond dat in dit geval aan die vereisten is voldaan. [eiser] heeft - onweersproken - gesteld dat er begin juni 2024 in de wederzijdse uitgaven van partijen een disbalans in haar nadeel was ontstaan, doordat [gedaagde] minder inkomsten had dan zij. Daarom is [eiser] naar zij stelt begin juni 2024 geldbedragen aan [gedaagde] gaan uitlenen en heeft zij die bedragen bijgehouden in een lijstje. Dat lijstje, dat sluit op een bedrag van € 5.315,60, is overgelegd als productie 1 bij de dagvaarding. Uit de door [eiser] in het geding gebrachte WhatsApp-correspondentie is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gebleken dat [eiser] die bedragen aan [gedaagde] heeft geleend en dat [gedaagde] zich heeft verbonden om die bedragen aan [eiser] terug te betalen.
Immers, in de WhatsApp-correspondentie die als productie 6 bij de dagvaarding is overgelegd staat dat [eiser] net een bedrag heeft overgemaakt voor kleding van [gedaagde], waarop [gedaagde] reageert met ‘ik zal het opschrijven’, waarna [eiser] zegt ‘doe ik al’. Daarna geeft [gedaagde] aan dat hij weet dat ‘het erg oploopt’ en dat [eiser] het ‘tegen t eind van t jaar redelijk of allemaal terug heeft’. Daarop bericht [eiser] dat [betrokkene] (haar broer) ‘laatst me lijstje heeft geteld’ (‘met tankkosten en soms eten’), waarop [gedaagde] bericht dat hij aan het eind van de maand begint met overmaken. [eiser] noemt daarop een bedrag van € 2.296,43 ‘zonder de 124 euro van de kleding en 50 euro voor die trui’ en bericht dat het ‘gwn heel erg oploopt’, waarop [gedaagde] reageert met: ‘nee snap ik, ik heb vanaf de 23ste een steady cashflow en dan betaal ik gwn elke maand weer een beetje’. Hieruit blijkt dat [gedaagde] het bestaan van het door [eiser] gestelde lijstje, waarop de door haar aan hem geleende bedragen worden bijgehouden, heeft erkend.
Uit de als productie 13 overgelegde WhatsApp-correspondentie blijkt vervolgens dat op de vraag van [eiser] ‘waarom maak je m’n geld niet over’ [gedaagde] antwoordt: ‘omdat ik geen 5k heb?’ Hieruit valt af te leiden dat [gedaagde] weet dat het uitgeleende bedrag inmiddels tot zo’n € 5.000,- is opgelopen. In de als productie 14 overgelegde WhatsApp-berichten vraagt [eiser] vervolgens ‘wnr krijg ik m’n geld’, ‘leen het bij je ouders’, waarop [gedaagde] antwoordt met ‘Ik zal t vragen aan m’n ouders’. [eiser] bericht daarop: ‘ik wil het op m’n rekening zien voor vanavond’, ‘dan hoor je me niet meer’, ‘zo maak het over’, ‘5315’, (…) ‘kan je het gwn overmaken’, waarop [gedaagde] antwoordt ‘Ik zal ’t vragen.’ In die WhatsApp-correspondentie wordt dus expliciet het in deze procedure gevorderde, uitgeleende bedrag van (afgerond) € 5.315,- genoemd en uit die correspondentie valt eveneens af te leiden dat [gedaagde] erkent (of in ieder geval niet betwist) dat hij dat bedrag aan [eiser] moet terugbetalen. Als er geen sprake zou zijn van een terugbetalingsverplichting, zou hij immers geen reden hebben om dat bedrag aan zijn ouders te vragen.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de kantonrechter komen vast te staan dat [eiser] als uitlener een bedrag van € 5.315,60 aan [gedaagde] als lener heeft verstrekt en dat [gedaagde] zich heeft verbonden een overeenkomstige som aan [eiser] terug te betalen. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor een geldleningsovereenkomst. Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat de betreffende financiële transacties louter hebben plaatsgevonden binnen de context van een affectieve relatie zonder dat daarmee een terugbetalingsverplichting werd beoogd, wordt dan ook verworpen. [gedaagde] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn verklaringen niet in overeenstemming waren met zijn wil of dat die verklaringen onder emotionele druk zijn afgelegd zoals hij heeft betoogd.
[gedaagde] heeft ter ondersteuning van zijn standpunt nog gewezen op een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 september 2024, waarin tussen de betreffende partijen (met een - inmiddels verbroken - affectieve relatie) geen geldleningsovereenkomst werd aangenomen. Anders dan in de procedure tussen [eiser] en [gedaagde] waren in die procedure gedurende de relatie echter geen Whatsappberichten uitgewisseld waarin de eiseres zich op een geldleningsovereenkomst beriep. Het ging in die zaak slechts om na de relatiebreuk gewisselde berichten waarin de eiseres verzoeken tot betaling van steeds wisselende bedragen deed. De uitgesproken bereidheid van de gedaagde in die zaak om enig bedrag te betalen hield daarom naar het oordeel van de kantonrechter in die zaak niet de bevestiging in van het bestaan van een geldleningsovereenkomst. Omdat die zaak dus niet met de onderhavige zaak vergelijkbaar is, gaat het beroep van [gedaagde] op die uitspraak niet op.
Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] het geleende bedrag van € 5.315,60 (al dan niet gedeeltelijk) heeft terugbetaald. Daarom moet [gedaagde] dit bedrag alsnog aan [eiser] betalen.
Geen verrekening
Het verweer van [gedaagde] dat dit bedrag moet worden verrekend met een tegenvordering van [gedaagde] op [eiser] wordt verworpen. Niet gesteld of gebleken is namelijk dat met betrekking tot de door [gedaagde] aan [eiser] gedane betalingen van in totaal € 4.699,97 een terugbetalingsverplichting is afgesproken. [gedaagde] heeft over die betalingen (onder 4.5. van de conclusie van antwoord in conventie/(voorwaardelijke) eis in reconventie) zelf gesteld dat dit relatiegebonden uitgaven betroffen die niet zijn gedaan onder een terugbetalingsverplichting.
Conclusie: hoofdsom toewijsbaar op de primaire grondslag
De conclusie is dat de door [eiser] gevorderde hoofdsom van € 5.315,60 toewijsbaar is op de daartoe primair gestelde grondslag.
Wettelijke rente
De wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen vanaf 29 oktober 2025 zoals gevorderd, omdat [eiser] [gedaagde] bij brief van 16 september 2025 heeft gesommeerd dat bedrag binnen zes weken na dagtekening van die brief terug te betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat [eiser] aan [gedaagde] geen aanmaning heeft gestuurd waarin het bedrag is vermeld dat als vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten in rekening zal worden gebracht. Dat had wel gemoeten, omdat [gedaagde] een natuurlijk persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat [gedaagde] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 1.266,45 (€ 145,45 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 720,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
de tegenvordering
De tegenvordering wordt afgewezen, gelet op wat de kantonrechter onder 6.10. heeft overwogen.
Ook in de zaak van de tegenvordering wordt [gedaagde] in de proceskosten veroordeeld, omdat hij ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met de zaak van de vordering ziet de kantonrechter echter aanleiding die proceskosten aan de zijde van [eiser] vast te stellen op nihil.
7 De beslissing
De kantonrechter
de vordering
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 5.315,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 29 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 1.266,45, door [gedaagde] te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan die veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering af;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.
De griffier, De kantonrechter,