Verbintenissenrecht
Luchtvaart. De vervoerder is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot betaling…
Rechtbank Noord-Holland, 25 februari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:1945 · Rechtbank Noord-Holland · 25 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2026-1945
Zaakgegevens
Op 25 februari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 25 februari 2026
- Datum publicatie
- 26 februari 2026
- Zaaknummer
- 11595774 \ CV EXPL 25-1772
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1945
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Luchtvaart. De vervoerder is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot betaling van compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder erkent dat de vlucht vertraagd is uitgevoerd maar voert aan dat de passagiers ook hierna nog voldoende overstaptijd hadden om de aansluitende vlucht te halen. Daarom was de uiteindelijke langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming aan henzelf te wijten en niet het gevolg van de vertraging van de vlucht. Het betoog van de vervoerder slaagt en de oorspronkelijke vorderingen worden alsnog afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11595774 \ CV EXPL 25-1772
Uitspraakdatum: 25 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging
Emirates
eiser in het verzet
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
tegen
1 [gedaagde 1]
2. [gedaagde 2]
3. [gedaagde 3]
4. [gedaagde 4]
allen wonende te [plaats]
gedaagden in het verzet
hierna te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.)
De zaak in het kort
De vervoerder is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot betaling van compensatie voor een vertraagde vlucht. De vervoerder erkent dat de vlucht vertraagd is uitgevoerd maar voert aan dat de passagiers ook hierna nog voldoende overstaptijd hadden om de aansluitende vlucht te halen. Daarom was de uiteindelijke langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming aan henzelf te wijten en niet het gevolg van de vertraging van de vlucht. Het betoog van de vervoerder slaagt en de oorspronkelijke vorderingen worden alsnog afgewezen.
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- het verstekvonnis van 30 oktober 2024;
- de verzetdagvaarding;
- het bericht met aanvullende producties van de vervoerder van 19 maart 2025;
- de conclusie van antwoord in het verzet;
- de conclusie van repliek in het verzet.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 26 en 27 september 2023 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, naar Tokio, Japan, met vluchtcombinatie EK150 en EK312.
De vervoerder heeft vlucht EK150 van de Amsterdam naar Dubai (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
Bij inleidende dagvaarding vorderen de passagiers dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 2.400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 435,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat zij door de vertraging van de vlucht in kwestie de aansluitende vlucht hebben gemist en dat de vervoerder hen vanwege de uiteindelijke langdurige vertraging moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.
De vorderingen zijn, behalve de buitengerechtelijke incassokosten en de daarover gevorderde wettelijke rente (en het verzoek om een certificaat), bij verstek toegewezen.
De vervoerder is tegen dit verstekvonnis in verzet gekomen en vraagt om de vorderingen van de passagiers alsnog af te wijzen. Hij betwist dat de passagiers de aansluitende vlucht hebben gemist vanwege de vertraging van de vlucht in kwestie.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de vlucht in kwestie met minder dan drie uur vertraging is uitgevoerd. Eveneens staat vast dat de passagiers de aansluitende vlucht hebben gemist en zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Slechts in geschil is of het missen van de aansluitende vlucht het gevolg was van de vlucht in kwestie.
De vervoerder betwist dit. Hij voert aan dat de passagiers een overstaptijd van 80 minuten hadden. De vlucht in kwestie is met een vertraging van 10 minuten uitgevoerd. Voor deze overstap geldt op de luchthaven van Dubai een minimumoverstaptijd (‘MCT’) van 60 minuten. Dit betekent dat de passagiers nog voldoende overstaptijd hadden om de aansluitende vlucht te halen. De passagiers zijn echter als no-shows geregistreerd op de aansluitende vlucht. Uit coulance heeft hij de passagiers omgeboekt naar de alternatieve aansluitende vlucht.
De passagiers hebben daar tegenin gebracht dat de oorspronkelijke geplande overstaptijd slechts 70 minuten was. Uit de instapkaart blijkt dat de aansluitende vlucht 10 minuten eerder vertrok dan door de vervoerder gesteld. In de minimumoverstaptijd is geen rekening gehouden met het sluiten van de gates en de omstandigheid dat de passagiers per bus vervoerd moesten worden. De vervoerder heeft vervolgens, samengevat, aangevoerd dat bij het vaststellen van de minimumoverstaptijd ook deze omstandigheden in acht worden genomen.
De kantonrechter overweegt dat op de passagiers de last rustte te bewijzen dat het missen van de aansluitende vlucht het gevolg was van de vertraging van de vlucht in kwestie. Zij doen immers een beroep op de rechtsgevolgen daarvan (namelijk een compensatieplicht voor de vervoerder) en de vervoerder heeft dit gemotiveerd betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn zij daar niet in geslaagd. Weliswaar hebben zij met de door hen overgelegde stukken en hun toelichting daarop voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat er een overstaptijd van 70 minuten stond gepland, maar vast staat dat de vlucht met een vertraging van 10 minuten is uitgevoerd en dat de minimumoverstaptijd 60 minuten bedroeg. Daarmee zouden zij (precies) voldoende tijd over houden om de overstap te halen.
De vervoerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat bij het vaststellen van de minimumoverstaptijd ook rekening wordt gehouden met de eventuele inzet van bussen en de sluitingstijd van de gate. Al met al staat daarom niet vast dat de passagiers onvoldoende overstaptijd hadden en dat de langdurige vertraging op de eindbestemming het gevolg was van de vertraging van de vlucht in kwestie. Van de passagiers mocht worden verwacht dat zij de aansluiting probeerden te halen en zich zo snel mogelijk naar de gate begaven om de aansluitende vlucht te halen. Daarmee slaagt het verweer van de vervoerder.
Dit betekent dat het verzet gegrond is. Het verstekvonnis kan daarom niet in stand blijven. De oorspronkelijke vorderingen zullen alsnog worden afgewezen.
De passagiers zullen in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van het verzet, behalve dat de (betekenings)kosten van de verzetdagvaarding door de vervoerder zelf gedragen moeten worden. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5 De beslissing
De kantonrechter:
verklaart het verzet gegrond en vernietigt het verstekvonnis van 30 oktober 2024 met zaaknr./rolnr. 11292923 \ CV EXPL 24-6105;
wijst de oorspronkelijke vorderingen van de passagiers alsnog af;
veroordeelt de passagiers tot terugbetaling van hetgeen de vervoerder ter uitvoering van het verstekvonnis aan hen heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van betaling daarvan door de vervoerder tot de dag der algehele voldoening door de passagiers;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 506,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder,
en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 126,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter