Verbintenissenrecht

Luchtvaart. De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd vanwege een…

Rechtbank Noord-Holland, 28 januari 2026

Zaakgegevens

Op 28 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
28 januari 2026
Datum publicatie
17 maart 2026
Zaaknummer
11421662 \ CV EXPL 24-8360
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:2766
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd vanwege een instapweigering. De vervoerder voert aan dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden. Het verweer van de vervoerder slaagt niet en de vordering van de passagier wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11421662 \ CV EXPL 24-8360

Uitspraakdatum: 28 januari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats] (België)

eiseres

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: mr. B.W. Floris (Yource B.V.)

tegen

de commanditaire vennootschap

Transavia Airlines C.V.

gevestigd te Schiphol

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M.J. Leuvenink-Verwijs (LVH advocaten)

De zaak in het kort

De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd vanwege een instapweigering. De vervoerder voert aan dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden. Het verweer van de vervoerder slaagt niet en de vordering van de passagier wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 9 april 2024 vervoeren van Alicante-Elche Airport (Spanje) naar Brussels Airport (België), met vlucht HV9004 (hierna: de vlucht).

2.2.

De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.3.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 48,40, aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten.

3.2.

De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege een instapweigering moet compenseren met een bedrag van € 250,00 (artikel 7 van de Verordening).

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de passagier zich niet tijdig bij de gate heeft gemeld dan wel dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

De vervoerder voert aan dat de vlucht op de geplande tijd vertrokken is maar dat de passagier zelf niet tijdig bij de gate was. Zij is geregistreerd als ‘no-show’, daarom is er geen sprake van een instapweigering. De passagier betwist dit en stelt dat er op haar boardingpas stond dat het boarden om 20:00 uur begon en dat de gate om 20:30 uur dicht zou gaan. Zij kwam om 20:20 uur aan bij de gate maar kreeg van de vervoerder te horen dat dit te laat was, aldus de passagier.

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. Om te spreken van een instapweigering moet de passagier een bevestigde boeking hebben voor de vlucht en zich tijdig bij de incheckbalie hebben gemeld. Het staat vast dat de passagier een bevestigde boeking had voor de vlucht. Verder staat het als onbetwist vast dat de passagier zich om 20:20 uur bij de gate heeft gemeld. Op haar boardingpas stond dat deze om 20:30 uur zou sluiten. De passagier heeft zich dus tijdig gemeld. De kantonrechter oordeelt daarom dat er in dit geval sprake is geweest van een instapweigering.

4.4.

In beginsel is de vervoerder daarom verplicht de passagier te compenseren. Dit kan anders zijn als hij aantoont redelijke gronden te hebben gehad om de passagier de instap te weigeren. De vervoerder voert in dit verband aan dat hij de passagier geweigerd heeft vanwege ontoereikende reisdocumenten. Doordat zij te laat was, was haar boardingpas niet meer geldig. De passagier betwist dit en stelt dat de boardingpas tot 20:30 uur geldig was, dan zou de gate immers sluiten. Dat de vervoerder de gate eerder sluit betekent niet dat de boardingpas niet meer geldig is, aldus de passagier.

4.5.

De vervoerder brengt hier tegenin dat de boardingtijd van 20:00 uur als starttijd wordt gezien. Als de rij eerder is weggewerkt en het vliegtuig klaarstaat, dan kan hij het boarden eerder dan 20:30 uur afsluiten. Op grond van de vervoersovereenkomst is de passagiers gehouden zich voor de boardingtijd te melden. Als zij niet op tijd is loopt ze een risico om als ‘no-show’ te worden geregistreerd omdat haar boardingpas niet meer toereikend is, aldus de vervoerder.

4.6.

De kantonrechter volgt het betoog van de passagier. Omdat de gate om 20:30 uur zou sluiten had de passagier tot die tijd een geldige boardingpas. De passagier was voor 20:30 uur aanwezig bij de gate. Dat de vervoerder al eerder klaar was met boarden betekent niet direct dat de passagier een ongeldige boardingpas had. Het beroep van de vervoerder op een redelijke grond tot instapweigering kan daarom niet slagen. De vordering van de passagier en de daarover gevorderde wettelijke rente zullen daarom worden toegewezen.

4.7.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.

4.8.

De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening van dit bedrag;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 135,97;
griffierecht € 87,00;
salaris gemachtigde € 164,00;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Blijkens artikel 3 lid 2 van de Verordening Blijkens artikel 2 sub j van de Verordening.