Verbintenissenrecht

Luchtvaart; EPGV; er is onvoldoende grond voor de stelling dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat het…

Rechtbank Noord-Holland, 25 februari 2026

Zaakgegevens

Op 25 februari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
25 februari 2026
Datum publicatie
23 maart 2026
Zaaknummer
11898705
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:3048
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart; EPGV; er is onvoldoende grond voor de stelling dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat het toestel met bemanning moest terugkeren naar haar standplaats

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11898705 \ CV FORM 25-6477

Uitspraakdatum: 25 februari 2026

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

1 [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2]

beiden wonende te [plaats 1]

3. [verzoeker 3]wonende te [plaats 2]

4. [verzoeker 4]

5. [verzoeker 5]

beiden wonende te [plaats 3]

verzoekende partij

verder te noemen: de passagiers

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)

tegen


de vennootschap naar buitenlands recht

EasyJet Europe Airline GmbH

gevestigd te Wenen (Oostenrijk)

verwerende partij

verder te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. B. Koolhaas (BK Legal)

1 Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

  • het vorderingsformulier (formulier A);

  • het verweerschrift.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 1 oktober 2023 moest vervoeren van Marco Polo Airport (Italië) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht EJU4071 (hierna: de vlucht).

2.2.

De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder verzocht.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:

- € 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 187,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.

3.2.

De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.

4.2.

Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De vervoerder stelt dat de vlucht vanwege een doorwerking van buitengewone omstandigheden dusdanig was vertraagd, dat het niet langer mogelijk was om de terugvlucht uit te voeren zonder daarbij de nachtsluiting van de luchthaven Schiphol te schenden. Hij heeft daarbij echter onvoldoende onderbouwd waarom de vlucht niet alsnog, zij het met vertraging, kon worden uitgevoerd. De vlucht daarna werd namelijk onderworpen aan het nachtregime van luchthaven Schiphol, niet de vlucht in kwestie. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Er is daarom onvoldoende grond voor de stelling dat de vlucht geannuleerd moest worden omdat het toestel met bemanning moest terugkeren naar haar standplaats. De kantonrechter komt daarom niet toe aan de bespreking van alle redelijke maatregelen. De verzochte compensatie zal daarom worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente is als anderszins onweersproken eveneens toewijsbaar.

4.4.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Het verzoek heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of deze kosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag is niet hoger dan het volgens het Besluit berekende tarief. De verzochte buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden toegewezen.

4.5.

De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken.

4.6.

Op verzoek van de passagiers zal een certificaat aan deze beschikking worden gehecht.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.437,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.250,00 vanaf 1 oktober 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 217,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.


Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kleij, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zoals bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen.