Verbintenissenrecht

Luchtvaart: de passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een meer dan drie uur…

Rechtbank Noord-Holland, 1 april 2026

Zaakgegevens

Op 1 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
1 april 2026
Datum publicatie
3 april 2026
Zaaknummer
11521130
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:3602
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart: de passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Op het moment dat het toestel klaar was om op te starten werd er een technisch defect aan het remsysteem geconstateerd. Dit moest eerst geïnspecteerd en verholpen worden. Het betoog van de vervoerder faalt. De vordering van de passagier wordt daarom toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11521130 \ CV EXPL 25-655

Uitspraakdatum: 1 april 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [plaats]

eiseres

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP B.V., handelend onder de naam Aviclaim)

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

Egyptair Airlines Company

gevestigd te Caïro (Egypte)

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke)

De zaak in het kort

De passagier heeft van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een meer dan drie uur vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Op het moment dat het toestel klaar was om op te starten werd er een technisch defect aan het remsysteem geconstateerd. Dit moest eerst geïnspecteerd en verholpen worden. Het betoog van de vervoerder faalt. De vordering van de passagier wordt daarom toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2 De feiten

2.1.

De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder haar moest vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport via Caïro International Airport (Egypte) naar Johannesburg International Airport (Zuid-Afrika) op 31 augustus en 1 september 2023, met de vluchtcombinatie MS758 en MS839.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht MS758 van Amsterdam naar Caïro (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op haar eindbestemming.

2.3.

De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraagde aankomst van de vlucht, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,00.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een omstandigheid buitengewoon als deze niet inherent is aan de bedrijfsactiviteit van de vervoerder en hij daar ook geen invloed op kon uitoefenen.

4.3.

De vervoerder heeft een beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De kantonrechter is echter van oordeel dat hij niet kan worden ontslagen van zijn verplichting om de (gedupeerde) passagier te compenseren. Hij overweegt hiertoe als volgt.

4.4.

Een technisch mankement of een indicatie daarvan, moet in beginsel worden beschouwd als inherent aan de normale uitoefening van de activiteiten van een vervoerder en levert daarom geen buitengewone omstandigheid op. Dit geldt alleen niet in gevallen waarin sprake is van een verborgen fabricagefout of schade door sabotage of terrorisme. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake was. Ten aanzien van de overige vertraging (25 minuten) heeft de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. De gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen. De daarover gevorderde rente is als onweersproken eveneens toewijsbaar.

4.5.

Ten slotte heeft de vervoerder nog aangevoerd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om de zaak (eventueel) buiten rechte te kunnen afdoen. De kantonrechter is echter van oordeel dat het overleggen van méér stukken door de passagier geen verschil zou hebben gemaakt. De vervoerder heeft zich immers verweerd met een beroep op buitengewone omstandigheden. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat hij haar buiten rechte tegemoet zou zijn gekomen.

4.6.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft dit (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief (inclusief btw), zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.7.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagier heeft daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum had.

4.8.

De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 690,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 1 september 2023 en over € 90,00 vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 144,47;
griffierecht € 226,00;
salaris gemachtigde € 288,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 72,00 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. Zie onder meer HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771. HvJEU 17 september 2015, C-257/14, ECLI:EU:C:2015:618.