Verbintenissenrecht
Luchtvaart; Annulering. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone…
Rechtbank Noord-Holland, 25 februari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:3867 · Rechtbank Noord-Holland · 25 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2026-3867
Zaakgegevens
Op 25 februari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 25 februari 2026
- Datum publicatie
- 13 april 2026
- Zaaknummer
- 11528091 \ CV EXPL 25-699
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3867
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Luchtvaart; Annulering. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit wordt niet betwist door de passagiers. Echter heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11528091 \ CV 25-699
Uitspraakdatum: 25 februari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (ProBe-ASP)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Nooij en mr. N van der Graaf (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Dit wordt niet betwist door de passagiers. Echter heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering wordt toegewezen.
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- de akte eisers.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 3 december 2023 vervoeren van Franz Josef Strauss Airport, München (Duitsland) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vlucht LH2308 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht. Hierdoor zijn zij met een vertraging van 45 uur en 40 minuten vertraging op de eindbestemming aangekomen.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van annulering, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
De vervoerder voert aan dat er sprake is van buitengewone omstandigheden, namelijk slechte weersomstandigheden (een sneeuwstorm) rondom de luchthaven München. Extreme kou heeft gevolgen voor de vliegveiligheid, omdat het kan leiden tot ijsvorming op de vleugels van een vliegtuig. Er zijn twee behandelingen die het toestel moet onderdaan ‘de-icing’ en ‘anti-icing’. Daarna moet het toestel zo snel mogelijk vertrekken in verband met de werking van deze behandelingen. Door de slechte weersomstandigheden moesten grote getale vluchten gebruik maken van deze behandelingen, met als gevolg lange wachtrijen en meermaals nieuwe behandelingen. De vervoerder heeft daarom besloten om de vlucht te annuleren, omdat de veilige uitvoering van de vlucht niet te garanderen was. De passagiers hebben dit niet betwist, zodat dit vast staat.
Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de annulering zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. De vervoerder kon de buitengewone omstandigheden niet voorkomen of aan de situatie aangepaste maatregelen treffen. Zelfs met inzet van alle redelijke maatregelen had de annulering niet voorkomen kunnen worden. De vervoerder heeft de passagiers omgeboekt op vlucht LH2308 op 4 december, maar door het extreme weer werd deze vlucht geannuleerd. Vervolgens heeft de vervoerder passagiers omgeboekt op vlucht LH2306 op 5 december, waarmee zij uiteindelijk zijn vervoerd naar de eindbestemming. Dit was het eerst mogelijk alternatief naar Amsterdam. Niet valt in te zien welke andere maatregelen de vervoerder had kunnen nemen, aldus de vervoerder.
De vervoerder heeft voor het eerst bij dupliek aangevoerd dat de passagiers zijn omgeboekt met behulp van een automatische boekingssysteem. De beschikbaarheid van alternatieve vluchten kan zeer veranderlijk zijn. Dit systeem heeft de passagiers alternatieve aangeboden met beschikbare plaatsen naar hun eindbestemming (ongeacht van de eigen of een andere luchtvaartmaatschappij en ongeacht of het een rechtstreekse of indirecte vlucht betreft). De vervoerder heeft er geen belang bij om passagiers niet op de eerst beschikbare vlucht om te boeken, omdat het alleen maar extra kosten met zich meebrengt. De vervoerder heeft niet toegelicht waarom hij dit standpunt eerst in dupliek heeft ingenomen en gesteld noch gebleken is dat hij dit niet al bij conclusie van antwoord naar voren had kunnen brengen. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder in strijd heeft gehandeld met de in artikel 128 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde vereiste concentratie van verweer, zodat dit verweer tardief is.
De kantonrechter oordeelt als volgt. In beginsel is geen sprake van een redelijke maatregel, indien passagiers met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomen. Dit is anders indien er geen enkele andere mogelijkheid voor een rechtstreekse of indirecte alternatieve vlucht bestond met een door haarzelf of door een andere luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam dan de volgende vlucht van de betrokken luchtvaartmaatschappij, of dat het organiseren van een dergelijke alternatieve vlucht voor die laatste een onaanvaardbaar offer betekende gelet op de mogelijkheden van haar onderneming op het relevante tijdstip. Gesteld noch gebleken is dat zich één van deze uitzonderingssituaties voordeed. In dit geval heeft de vervoerder eerst een vlucht aangeboden die de passagiers met exact 24 uur vertraging op de eindbestemming zou vervoeren. Door de slechte weersomstandigheden werd deze vlucht ook geannuleerd en werden zij weer omgeboekt naar vlucht LH2306 op 5 december. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen waarom hij de passagiers niet op een eerdere vlucht kon omboeken en dat dit de eerste beschikbare alternatieve vlucht was. Dit had wel op zijn weg gelegen, nu de stelplicht en de eventuele bewijslast daarvan op de vervoerder rusten. Ook nu de passagiers in deze zaak concreet meerdere mogelijkheden hebben genoemd die zouden hebben geleid tot geringere vertragingen, heeft de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter daarop onvoldoende concreet gereageerd. De algemene, niet onderbouwde stelling dat zij op de eerst mogelijke alternatieve vlucht naar Amsterdam zijn omgeboekt is onvoldoende. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt toegewezen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 920,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 3 december 2023, en over € 120,00 vanaf 10 januari 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 144,47;
griffierecht € 226,00;
salaris gemachtigde € 360,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 72,00 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter