Verbintenissenrecht
Luchtvaart; Vertraging. De vervoerder voert onder andere aan dat de passagiers niet hebben aangetoond dat zij…
Rechtbank Noord-Holland, 1 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:3878 · Rechtbank Noord-Holland · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2026-3878
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 13 april 2026
- Zaaknummer
- 11621364 \ CV EXPL 25-2084
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3878
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Luchtvaart; Vertraging. De vervoerder voert onder andere aan dat de passagiers niet hebben aangetoond dat zij zich tijdig hebben gemeld bij de incheckbalie. Het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11621364 \ CV EXPL 25-2084
Uitspraakdatum: 1 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. C.E. Dupain (ProBe-ASP B.V.)
tegen
de besloten vennootschap
Corendon Dutch Airlines B.V.
gevestigd te Badhoevedorp
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder compensatie gevraagd voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert onder andere aan dat de passagiers niet hebben aangetoond dat zij zich tijdig hebben gemeld bij de incheckbalie. Het betoog van de vervoerder slaagt. De vordering wordt afgewezen.
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 21 september 2023 vervoeren van Maastricht/Aachen Airport naar Antalya (Turkije), met vlucht CD945 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd, waardoor de passagiers met meer dan drie uur vertraging op de eindbestemming zijn aangekomen.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraging, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 120,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden (artikel 5 lid 3 van de Verordening).
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Ter discussie staat of de passagiers een bevestigde boeking hadden voor vlucht CD945 21 september 2023, met vertrektijd 06:00 uur lokale tijd.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de passagiers geen bevestigde boeking hebben. De passagiers hebben een pakketreis geboekt met de reisorganisator Corendon International Travel B.V.. Dit is geen luchtvaartmaatschappij en betreft een andere rechtspersoon. De passagiers hebben een reisbevestiging overgelegd, maar dit is niet gelijk aan een boekingsbevestiging in de zin van de Verordening. Corendon zou na de boeking de reis samenstellen en de vliegtickets boeken. De reisbevestiging bevat geen vliegtickets en de genoemde vluchttijden zijn op voorbehoud van wijzigingen. De reisorganisator heeft op 6 september 2023 vliegtickets geboekt bij Turistik Hava Tasimacilik A.S. (Corendon Airlines CAI) en niet bij de vervoerder, Corendon Dutch Airlines. De passagiers stellen dat zij op deze vluchten zijn omgeboekt, maar dat is onjuist. Zij hadden vanaf het begin tickets voor vlucht XC945 om 18:35 uur lokale tijd. De passagiers hebben geen vliegtickets of e-tickets overgelegd van vlucht CD945, maar dat kan ook niet aangezien er geen vliegtickets voor die vlucht waren uitgegeven. Uit het document die de passagiers hebben overgelegd blijkt dat het schema onder voorbehoud van wijzigingen was en dat zij een pakketreisovereenkomst hebben gesloten met Corendon International Travel B.V.. Er was geen sprake van een harde toezegging, aldus de vervoerder.
De passagiers wijzigen de grondslag naar artikel 6 lid 1 sub 6 van de Verordening en stellen dat er sprake is van een langdurige vertraging. De vervoerder heeft de vluchttijden gewijzigd en hen daar niet van op de hoogte gesteld. Verder betwisten de passagiers het verweer van de vervoerder. Zij stellen dat zij hebben voldaan aan de eisen van het Azurair-arrest. Zij hebben een bevestigde boeking met de plaats van vertrek en bestemming, de vertrek- en aankomsttijden en het vluchtnummer. Het feit dat de tijden van de vlucht eventueel gewijzigd zouden worden, betekent niet dat de passagiers geen bevestigde boeking hadden voor de vlucht in kwestie. Bovendien werd vlucht CD945 meermaals uitgevoerd met dezelfde vluchttijden. Met het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de vervoerder voornemens was om de vlucht in kwestie uit te voeren, aldus de passagiers.
De vervoerder brengt hiertegen in dat de passagiers niets hebben gesteld over de gang van zaken. Voor een geslaagd beroep op artikel 6 van de Verordening moeten de passagiers, onder andere, zich op tijd bij de incheckbalie gemeld hebben. Zij hebben dit echter niet gesteld. Dat kan ook niet want die vlucht is ook niet uitgevoerd op die dag. Dit wisten de passagiers, omdat zij een bevestigde boeking hadden voor vlucht XC945. De kantonrechter gaat mee in het verweer van de vervoerder. Uit artikel 3 lid 2 van de Verordening volgt dat voor toepassing van de Verordening vereist is dat de passagiers beschikken over een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie en zich behalve in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 - (tijdig) bij de incheckbalie hebben gemeld. Het tweede hebben de passagiers niet bewezen. Zij stellen enkel dat zij niet op de hoogte waren van de gewijzigde vertrektijden, maar niet dat zij zich bij de incheckbalie hebben gemeld. Daarnaast hebben zij het verweer van vervoerder, dat zij een boekingsbevestiging van vlucht XC945 hebben ontvangen op 6 september 2023, niet betwist. Dat had wel op hun weg gelegen. Daarmee hebben zij niet aan de voorwaarden voor toepassing van de Verordening voldaan. De kantonrechter zal daarom niet ingaan op de overige verweren. De vordering van de passagiers wordt daarom afgewezen.
De passagiers zullen in het ongelijk worden gesteld. Daarom zullen zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
5 De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 288,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 72,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter