Verbintenissenrecht

Ambtshalve toetsing. Verstek. Voldaan aan precontractuele informatieplichten. Toepasselijke bedingen uit de…

Rechtbank Noord-Holland, 15 april 2026

Zaakgegevens

Op 15 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
15 april 2026
Datum publicatie
16 april 2026
Zaaknummer
11812229 \ CV EXPL 25-2697
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:4129
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ambtshalve toetsing. Verstek. Voldaan aan precontractuele informatieplichten. Toepasselijke bedingen uit de algemene en aanvullende voorwaarden niet oneerlijk bevonden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 11812229 \ CV EXPL 25-2697

Uitspraakdatum: 15 april 2026

Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

BMW Financial Services Nederland B.V., voorheen genaamd Alphabet Nederland B.V., h.o.d.n. Alphabet

te Breda

de eisende partij

gemachtigde: Jongejan Wisseborn gerechtsdeurwaarders

tegen

[gedaagde]

te [plaats]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De procedure

1.1.

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2 De beoordeling

2.1.

De eisende partij vordert veroordeling van de gedaagde partij tot betaling van
€ 5.399,58, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten en te verminderen met een deelbetaling.

Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten

2.2.

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.

2.3.

De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.

Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden

2.4.

De kantonrechter is, gelet op het Dexia-arrest, gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).

2.5.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden keurmerk private lease’ van 1 december 2017 (hierna: de keurmerkvoorwaarden) en de ‘Aanvullende algemene voorwaarden Alphabet private lease’ van 5 april 2019 (hierna: de aanvullende voorwaarden).

2.6.

De bedingen uit de keurmerkvoorwaarden die verband houden met de vordering, te weten de artikelen 15, 20 en 21, zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.

2.7.

Het beding uit de aanvullende voorwaarden dat verband houdt met de vordering, te weten artikel 4.4, is eveneens door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.

Wat is toewijsbaar?

2.8.

De vordering wordt toegewezen, omdat deze de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

2.9.

De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 5.698,12, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.399,58 vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;

3.2.

veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:

dagvaarding € 120,78;

griffierecht € 543,00;

salaris gemachtigde € 360,00;

3.3.

verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677. HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).