Verbintenissenrecht
Luchtvaart: de passagiers hebben van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een vertraagde…
Rechtbank Noord-Holland, 8 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:4244 · Rechtbank Noord-Holland · 8 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-noord-holland/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbnho-2026-4244
Zaakgegevens
Op 8 april 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Noord-HollandRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Haarlem
- Datum uitspraak
- 8 april 2026
- Datum publicatie
- 20 april 2026
- Zaaknummer
- 11321713
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBNHO:2026:4244
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Luchtvaart: de passagiers hebben van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk besluiten van de luchtverkeersleiding op de voorgaande vlucht en onvoorziene veiligheidsmaatregelen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt daarom toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11321713 \ CV EXPL 24-6677
Uitspraakdatum: 8 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1 [eiser 1]
2. [eiser 2]
3. [eiser 3]
allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de buitenlandse vennootschap
Austrian Airlines AG
gevestigd te Wenen (Oostenrijk)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mr. J. Nooij & mr. N. van der Graaf (Russell Advocaten)
De zaak in het kort
De passagiers hebben van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, namelijk besluiten van de luchtverkeersleiding op de voorgaande vlucht en onvoorziene veiligheidsmaatregelen. Het betoog van de vervoerder slaagt niet. De vordering van de passagiers wordt daarom toegewezen.
1 Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
2 De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 5 augustus 2022 moest vervoeren van Rinas Airport (Albanië) via Vienna International Airport (Oostenrijk) naar Amsterdam-Schiphol Airport, met de vluchtcombinatie OS848 en OS375.
De vervoerder heeft vlucht OS848 (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3 Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2022, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling.
4 De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder heeft een beroep gedaan op (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Hij stelt in dit verband dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van besluiten van de luchtverkeersleiding op de voorgaande vlucht (17 minuten) en onvoorziene veiligheidsmaatregelen (29 minuten).
De vervoerder heeft zijn beroep op onvoorziene veiligheidsmaatregelen echter niet nader geconcretiseerd. Dit had wel op zijn weg gelegen. De stelling van de vervoerder dat de problemen zich vermoedelijk specifiek rondom de vlucht voordeden, mogelijk bij de gate of aan boord van het vliegtuig, is in dit verband onvoldoende. Daarom kan niet worden geoordeeld dat de daardoor ontstane vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
Wat de besluiten van de luchtverkeersleiding betreft, overweegt de kantonrechter als volgt. De passagiers hebben erkend dat er sprake is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Of deze tot een vertraging van 10 dan wel 17 minuten hebben geleid, kan in het midden blijven. De passagiers zijn om 17:17 uur (lokale tijd) aangekomen in Wenen en de aansluitende vlucht is om 17:20 uur (lokale tijd) vertrokken. De vervoerder heeft aangevoerd dat de minimumoverstaptijd in Wenen 25 minuten bedraagt. Dit betekent dat ook als er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden, de passagiers hun overstap in ieder geval hadden gemist. De conclusie is dat de vertraging op de eindbestemming niet het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden. De gevorderde compensatie – en de daarover gevorderde rente – zal daarom worden toegewezen.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft dit (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De daarover gevorderde rente is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Het is niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.417,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,00 vanaf 5 augustus 2022 en over € 217,80 vanaf 11 juni 2024 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;
griffierecht € 218,00;
salaris gemachtigde € 434,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 108,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter