Verbintenissenrecht

Luchtvaart. De vervoerder is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot betaling…

Rechtbank Noord-Holland, 21 januari 2026

Zaakgegevens

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
21 januari 2026
Datum publicatie
23 januari 2026
Zaaknummer
9936727 \ CV EXPL 22-3509
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:507
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. De vervoerder is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot betaling van compensatie aan de passagiers vanwege een vertraagde vlucht. Hierdoor hadden de passagiers hun aansluitende vlucht gemist. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Het betoog van de vervoerder slaagt niet omdat hij de passagiers na het missen van de aansluitende vlucht een alternatieve vlucht heeft aangeboden waarmee zij met meer dan een dag vertraging op de eindbestemming zijn aangekomen. Vanwege de betwisting door de passagiers heeft hij onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat er geen eerdere alternatieven waren. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging van de passagiers te beperken. Het verzet is ongegrond en het verstekvonnis wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 9936727 \ CV EXPL 22-3509

Uitspraakdatum: 21 januari 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging
Emirates

gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten

eiser in het verzet

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)

tegen

1 [gedaagde 1]

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [plaats]

gedaagden in het verzet

hierna te noemen: de passagiers

gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)

De zaak in het kort

De vervoerder is in verzet gekomen tegen een verstekvonnis waarin hij is veroordeeld tot betaling van compensatie aan de passagiers vanwege een vertraagde vlucht. Hierdoor hadden de passagiers hun aansluitende vlucht gemist. Hij voert aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Het betoog van de vervoerder slaagt niet omdat hij de passagiers na het missen van de aansluitende vlucht een alternatieve vlucht heeft aangeboden waarmee zij met meer dan een dag vertraging op de eindbestemming zijn aangekomen. Vanwege de betwisting door de passagiers heeft hij onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat er geen eerdere alternatieven waren. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging van de passagiers te beperken. Het verzet is ongegrond en het verstekvonnis wordt bevestigd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- het verstekvonnis van 16 maart 2022;

- de verzetdagvaarding;

- het bericht met aanvullende producties van de vervoerder van 15 juni 2022;

- de conclusie van antwoord in het verzet;

- de conclusie van repliek in het verzet.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 en 12 december 2019 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, naar Calcutta, India, met vluchtcombinatie EK148 en EK570.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht EK148 van Amsterdam naar Dubai (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen.

2.3.

De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

Bij inleidende dagvaarding vorderen de passagiers dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De passagier baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon. Deze vorderingen zijn bij verstek toegewezen.

3.3.

De vervoerder is tegen dit verstekvonnis in verzet gekomen en vraagt om de vorderingen van de passagiers alsnog af te wijzen. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. Het verzet is tijdig ingesteld, zodat de vervoerder in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2.

Vast staat dat de vlucht de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De passagiers hebben bij antwoord in verzet erkend dat de vertraging van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. In geschil is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken.

4.4.

De vervoerder stelt dat hij geen maatregelen kon treffen om de vertraging te voorkomen omdat hij geen invloed kon uitoefenen op de besluiten van de luchtverkeersleiding. Wel heeft hij de passagiers omgeboekt naar de snelst beschikbare alternatieve aansluitende vlucht naar de eindbestemming.

4.5.

De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat zij met een vertraging van meer dan 24 uur op de eindbestemming zijn aangekomen. Volgens hen was er een groot aantal, door hen concreet genoemde, alternatieve vluchten beschikbaar. Als de vervoerder hen op één van die opties had omgeboekt, waren zij met minder vertraging aangekomen.

4.6.

De vervoerder heeft hier tegenin gebracht dat hij bij het omboeken gebruikmaakt van een geautomatiseerd systeem dat zoekt naar de eerste mogelijkheid. Er worden slechts een beperkt aantal rechtstreekse vluchten tussen Dubai en Calcutta uitgevoerd. De passagiers hebben ook slechts één rechtstreeks alternatief genoemd. Daarop was geen plaats. Ook op de door de passagiers genoemde alternatieven van de vervoerder zelf, was, met uitzondering van één daarvan, geen plaats. De rest van de alternatieven werd uitgevoerd door luchtvaartmaatschappij IndiGo. Deze konden niet geboekt worden.

4.7.

De kantonrechter stelt voorop dat het in beginsel geen redelijke maatregel is als een luchtvaartmaatschappij een passagier omboekt naar een alternatieve vlucht die (later dan) de dag na de oorspronkelijke vastgestelde dag aankomt. Dit is anders als er geen enkele mogelijkheid was voor een eerdere directe of indirecte alternatieve vlucht van de luchtvaartmaatschappij zelf of van een andere luchtvaartmaatschappij of dat het organiseren daarvan een onaanvaardbaar offer van de luchtvaartmaatschappij zou vergen.

4.8.

Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan een dag op de eindbestemming zijn aangekomen, zodat de door de vervoerder aangeboden alternatieve vluchtcombinatie in beginsel geen redelijke maatregel is. Vanwege de gemotiveerde betwisting van de passagiers, was het aan de vervoerder om aan te tonen dat er geen plaatsen beschikbaar waren op de door de passagiers genoemde alternatieve vluchten. Naar het oordeel van de kantonrechter is de vervoerder daar niet in geslaagd. Weliswaar heeft hij gesteld dat er op de directe vlucht en een aantal van de genoemde indirecte vluchten geen plaats was, maar hij heeft niet gesteld of onderbouwd dat dat voor alle vluchten gold. Ook heeft hij onvoldoende concreet gesteld waarom het niet mogelijk was om de passagiers om te boeken op de alternatieven van Indigo. De enkele stelling dat er geen plaats beschikbaar was omdat deze vluchten niet in het boekingssysteem van de vervoerder naar voren zijn gekomen is onvoldoende. Daarmee staat niet vast dat de aangeboden alternatieve vluchtcombinatie een redelijke maatregel was en moet de vervoerder de passagiers compenseren.

4.9.

De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.10.

De conclusie is dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd. De vervoerder is in het ongelijk gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 16 maart 2022 in de zaak met zaaknummer 9702027 \ CV EXPL 22-1119;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die tot en met vandaag worden vastgesteld op een bedrag van € 204,00 aan salaris van de gemachtigde van de passagiers,
en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.


Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.