Verbintenissenrecht

Luchtvaart. De passagier vordert compensatie voor een langdurig vertraagde vlucht. De vervoerder doet een…

Rechtbank Noord-Holland, 10 juni 2026

Zaakgegevens

Op 10 juni 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
10 juni 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
11897478 \ CV EXPL 25-6449
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNHO:2026:7006
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Luchtvaart. De passagier vordert compensatie voor een langdurig vertraagde vlucht. De vervoerder doet een beroep op (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat hij de passagier na het missen van de aansluitende vlucht een alternatieve vlucht heeft aangeboden waarmee de passagier met meer dan een dag vertraging op de eindbestemming is aangekomen en hij onvoldoende heeft onderbouwd dat er geen eerdere mogelijkheden waren. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te beperken. De vordering wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 11897478 \ CV EXPL 25-6449

Uitspraakdatum: 10 juni 2026

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

wonende te [plaats]

eiser

hierna te noemen: de passagier

gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)

tegen

de vennootschap naar buitenlands recht

Lot Polish Airlines Polskie Linie Lotnicze “Lot” Lot Polish Airlines

gevestigd te Warschau, Polen

gedaagde

hierna te noemen: de vervoerder

gemachtigde: A. Kania-Nawrocka

De zaak in het kort

De passagier vordert compensatie voor een langdurig vertraagde vlucht. De vervoerder doet een beroep op (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Het verweer slaagt niet omdat hij de passagier na het missen van de aansluitende vlucht een alternatieve vlucht heeft aangeboden waarmee de passagier met meer dan een dag vertraging op de eindbestemming is aangekomen en hij onvoldoende heeft onderbouwd dat er geen eerdere mogelijkheden waren. Daarmee heeft hij niet alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te beperken. De vordering wordt toegewezen.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding:

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 2 september 2023 vervoeren van Yerevan, Armenië, via Warschau, Polen, naar Amsterdam-Schiphol Airport, met vluchtcombinatie LO730 en LO263.

2.2.

De vervoerder heeft vlucht LO730 van Yerevan naar Warschau (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft de aansluitende vlucht gemist. Hij is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee hij met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming.

2.3.

De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.

2.4.

De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3 Het geschil

3.1.

De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 60,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de nakosten.

3.2.

De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de vertraging moet compenseren met een bedrag van € 400,-.

3.3.

De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

4.3.

De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder, ongeacht of de vertraging van de vlucht het gevolg was van (de doorwerking van) buitengewone omstandigheden, onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te beperken. Het is namelijk in beginsel geen redelijke maatregel als een luchtvaartmaatschappij een passagier omboekt naar een alternatieve vlucht die de dag na de oorspronkelijke vastgestelde dag aankomt. Dit is alleen anders als er geen enkele mogelijkheid was voor een eerdere directe of indirecte alternatieve vlucht van de luchtvaartmaatschappij zelf of van een andere luchtvaartmaatschappij of als het organiseren daarvan een onaanvaardbaar offer van de luchtvaartmaatschappij zou vergen.

4.4.

Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan een dag op de eindbestemming is aangekomen zodat de omboeking in beginsel geen redelijke maatregel is. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd dat er geen mogelijkheid was voor een eerdere vlucht of dat het organiseren daarvan een onaanvaardbaar offer van hem zou vergen. De enkele stelling dat er geen maatregelen waren om de passagier ‘vroegtijdig’ naar de bestemming te brengen, is daartoe in ieder geval onvoldoende. Het had op zijn weg gelegen om zijn betoog op dit punt nader te concretiseren, bijvoorbeeld door te stellen welke mogelijkheden hij heeft onderzocht om de passagier sneller te vervoeren. Omdat hij dit heeft nagelaten, slaagt zijn betoog niet. De vordering zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de compensatie is als onbetwist eveneens toewijsbaar.

4.5.

De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. Als onbetwist staat vast dat de passagier buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.6.

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagier heeft daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Hij heeft niet gesteld dat hij dit ook al vanaf een eerdere datum had.

4.7.

De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 460,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 400,00 vanaf 3 september 2023, en over € 60,00 vanaf 28 augustus 2025, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;

5.2.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 144,47;
griffierecht € 90,00;
salaris gemachtigde € 174,00;

vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 43,50 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Artikel 7 van de Verordening. Artikel 5 lid 3 van de Verordening. HvJEU 11 juni 2020, C-74/19, ECLI:EU:C:2020:460.